Het was bij de joden een oud en gelovig gebruik een gedeelte van de eerste oogst bij de priesters aan te bieden als een offer voor Jahwe. Dat was een teken van dankbaarheid jegens God, en tevens uitdrukking van het gelovige besef dat het leven en alles wat de aarde bood, uiteindelijk een gave van God was.
De Bijbel vertelt ons vandaag het verhaal over zo’n gelovige man die bij de profeet Elisa aankomt met dat eerstelingenoffer: twintig gerstebroden en wat vers koren. Tegen de wet en de geboden in geeft de profeet van dat brood anderen te eten. Daarmee laat Elisa ons zien dat we God niet beter kunnen danken dan door zijn gaven te delen. Als we dat doen, is er voor iedereen meer dan genoeg.
Het tweede, het overbekende verhaal over de broodvermenigvuldiging vertelt ons dat Jezus ons hetzelfde wil leren: waar mensen tot delen bereid zijn, is er voor iedereen meer dan genoeg.
Sommige mensen proberen hun gebrek aan mededeelzaamheid, hun tekort aan werkelijke interesse, te camoufleren met grote geschenken. Zo zijn er wel eens ouders die hun te geringe aandacht voor hun kinderen denken goed te maken met grote stukken duur en luxe speelgoed. Maar iedereen weet dat het niet gaat om de grootte van een cadeau, maar om de hartelijkheid waarmee het gegeven wordt. ‘Het is niet veel’, zeggen we dan, ‘maar het komt uit een goed hart’. En dan is het wel veel.
Er is een jongetje met vijf broden en twee visjes. Dat is niet veel voor vijfduizend mensen, maar hij wil het wel delen, en het komt uit een goed hart. Als je met zo’n instelling het leven deelt, gebeuren er wonderen van overvloed.
Dat is wat het oude verhaal ons wil leren, en net als in de eerste lezing kun je ook uit deze lezing een Bijbelse les trekken: dankbaarheid om het leven laat je het beste zien door te delen, al is het nog zo’n beetje, door te delen wat je hebt.
Wanneer we de geweldige nood zien in onze wijde wereld, maar ook de zorgen in de kleine wereld om ons heen, voelen we ons vaak als dat ventje met die paar broodjes en dat beetje vis voor zoveel hongerige mensen. En inderdaad: in ons eentje hebben we zo weinig om die onmetelijke noden op te lossen. Maar als het uit een goed hart komt, kun je met dat beetje dat je hebt, toch wonderen van overvloed doen.
Er zijn talloze zieken en eenzame mensen, maar dat ene uurtje dat we vrijmaken voor één zo’n zieke, werkt veel meer uit dan wij zien; het vermenigvuldigt zich. Een gesprek, een hartelijk woord, een moment van aandacht voor iemand naar wie weinig omgekeken wordt, brengt soms meer goeds teweeg dan wij kunnen overzien. Want een mens die waardering ondervindt, gaat zelf ook anders met mensen om, en zo vermenigvuldigt het zich. Als je een ander geeft wat hij of zij broodnodig heeft - wat warmte, zorgzame aandacht -, zal dat, aangestoken door elkaar, verder gaan, en komt er een overvloed aan geluk. De kinderen die hier hun eerste communie vierden, snapten het al toen we dit verhaal ‘Delen is vermenigvuldigen’ hebben genoemd.