Het evangelie van vandaag schildert Jezus te midden van hongerige mensen. Hij legt het brood in de handen van de apostelen, om het te verdelen tot de laatste van hen verzadigd is. ‘En ze vulden nog twaalf manden met brokken, die door de mensen na het eten overgelaten waren.’ Van die met brokken gevulde manden eten wij nog altijd. Alleen zijn we wat later gekomen en de tafel is langer geworden. Wij hoeven zelfs niet bang te zijn dat het brood zal opraken. Jezus blijft ons voeden.
Vandaag zijn we dan weer bijeen rond de Heer Jezus. Hier in deze Eucharistie zien we dezelfde handelingen van de Heer: Hij dankt, Hij breekt het brood, Hij laat het uitdelen en verzamelen. Zoals Hij moeten wij dagelijks leren breken en delen. Daarmee zitten we in de kern van ons christendom. De geleerden zoeken naar het tijdstip, waarop de mens de drempel van het dier-zijn naar het mens-worden overschreden heeft. Sommigen zeggen: bij het uitvinden van de eerste werktuigen, anderen: bij de uitvinding van het vuur. Maar meer en meer wint de overtuiging veld dat de bakermat daar ligt waar de mensen het voedsel en de lasten met elkaar begonnen te delen. Dit zou het eerste teken zijn van mense-lijkheid. Over die stellingen kun je discussiëren. Zeker is het dat broederlijk met elkaar delen een kenmerk is van het christendom. Met dit teken van breken en delen staat of valt de Kerk. De Kerk ontvangt het brood uit de handen van de Heer Jezus en de leerlingen moeten verder geven en delen wat zijzelf ontvangen hebben. Dit brood is een teken van de Eucharistie. Jezus neemt het brood in zijn handen, breekt het, deelt het uit en zegt: ‘Doe dit tot mijn gedachtenis’. De Eucharistie is niets anders dan telkens weer brood nemen, het breken en uitdelen als gave voor de anderen. Blijft dat niet de voornaamste taak van de Kerk? Zij moet het hongerige volk verzamelen en hun het brood van het leven aanreiken. Zo kunnen zij ook samen delen in de volheid van de hemelse maaltijd.
De eerste christenen hebben dit teken van Jezus zeer goed begrepen. ‘De mensen die het geloof hadden aangenomen, waren één van hart en ziel. Er was geen noodlijdende onder hen en geen enkele behoeftige, want zij waren gewoon alles onder elkaar te verdelen.’ De Kerk zal in onze gewesten overleven in zover ze bereid is ook nu nog de goederen van deze wereld te willen delen met hen die honger hebben. Er is in de wereld brood voor iedereen. Alle mensen kunnen verzadigd worden, als wij, zoals Jezus, brood delen met hen die honger hebben. Zijn wij bereid dit brood steeds verder uit te delen, totdat inderdaad de maag van de laatste hongerige met dit brood verzadigd is? In ons land wordt 5 % van het brood in de vuilnisemmer gegooid, dat is 60 miljoen broden per jaar. Wij hebben de middelen en de mogelijkheden om nog gedurende deze generatie alle honger en alle ellende uit de wereld te bannen. Maar… de goede wil ontbreekt.
‘Doe dit tot mijn gedachtenis’ betekent: deel het brood uit tot in de laatste hut en tot in het ellendigste krot. De honger in de wereld is eigenlijk een ongekende kans om het gehalte van ons christendom te meten. Als de christenen doen wat Jezus heeft voorgedaan, zullen ze dat gebaar van delen en breken in de tijd gestalte geven. Wij moeten eerlijk zijn! In het bestrijden van het hongerprobleem in de wereld zijn we absoluut niet christelijk! In het bestrijden van de bewapeningswedloop zijn we niet christelijk! Christenen mogen geen miljarden uitgeven aan luxe, comfort, munitie, terwijl er nog zoveel mensen in krotten wonen en omkomen van honger. Dieren mogen geen voorrang hebben op mensen, en toch hebben heel veel huisdieren in Europa en Amerika het beter dan miljoenen mensen in de Derde Wereld.
Jezus gaf het brood niet alleen als levensonderhoud, maar veel meer als levensinhoud. Jezus is ons voorbeeld. De christenen hebben dan de taak het brood voor de lichamelijke honger te breken en te delen, maar bovendien ook het brood voor de zin van het leven aan te reiken. In ons allemaal moet de gezindheid leven die in Christus Jezus was.
Ik wil eindigen met de bekende parabel van Raoul Folereau, de apostel van de melaatsen. Iemand stond na zijn dood voor de rechterstoel van God. ‘God,’ zei hij, ‘ik heb altijd uw wet onderhouden. Ik heb mijn godsdienstige plichten altijd nauwgezet vervuld. Wat ik bezat, heb ik altijd verdiend. Mijn handen zijn rein’. ‘Ja,’ zei God, ‘ze zijn rein, maar ze zijn leeg’. Die man was vergeten te delen…