Na jaren van ontbering heeft de naoorlogse generatie er alles aan gedaan om de economie te herstellen, om terug brood op tafel te krijgen.
Zij is daar wonderwel in gelukt. Nog geen vijftien jaar later was er reeds sprake van de gouden zestiger jaren, the golden sixties.
Diezelfde dynamiek naar steeds grotere welvaart zet zich door tot op vandaag, in een maatschappij waarin dienstverlening zoveel mogelijk gratis moet worden. Gratis werd een toverwoord tot in onze sociale omgang.
‘Een drankje en een hapje gratis’ anders komen de mensen niet.'
Maar gratis komt gevaarlijk dicht bij verspilling en bij de spanning wie er uiteindelijk moet betalen.
Er is een gezegde: ‘Geef de mensen brood voor niks en ze zullen er om vechten en ruzie maken, maar laat ze een toren bouwen en ze worden vrienden.'
Vandaag hebben wij te veel goederen en te weinig visioen om naar toe te leven.
We zitten nog altijd vast aan die naoorlogse trend van ‘economie voor alles'.
We hebben nood aan dingen die niet gratis zijn, die zelfs niet betaalbaar zijn.
We hebben nog niet begrepen dat wij een samenleving mogen uitdenken: het materialisme voorbij.
Met aandacht voor schoonheid. Niet alleen in onze leefomgeving, maar ook in onze omgang met elkaar. Brutaliteit en agressie moet plaats maken voor beleefdheid en fijngevoeligheid.
Met aandacht voor ontroering en tederheid, voor de ontwikkeling van de innerlijke kwaliteiten van de mens, voor beschouwing, stilte en bezinning.
Aandacht voor een echte en zuivere gebedscultuur.
De ouders van de oorlogsjaren hebben gezworen dat hun kinderen het beter zouden hebben. Zij zijn er in gelukt
De ouders van vandaag zouden moeten zweren dat hun kinderen schonere mensen zouden worden dan de exemplaren die hen nu als idool worden voorgeschoteld. Dat zou pas een wonderbare broodvermenigvuldiging zijn.