Vorige week vertelde ons het evangelie dat Jezus zijn leerlingen twee aan twee uitzond. Vandaag horen we Hem zeggen dat ze ook hun rust moeten nemen. Hij stuurde hen op pad om het kwaad te bestrijden. In de Bijbel heet dat: de satan verdrijven. ‘Satan’ is een Hebreeuws woord, en het betekent: brenger van tweedracht, onruststoker, ruziemaker.
Jeremia klaagt de leiders, de herders van zijn dagen, aan omdat ze mensen - in plaats van hen te verzamelen en bijeen te houden - verloren lieten lopen. Ze dreven mensen uit elkaar, en zetten hen tegen elkaar op om er zelf beter van te kunnen worden. ‘Wee u’, zegt de profeet herhaaldelijk. ‘Wat jullie doen, is des duivels. Wacht maar - laat God weten -, ik ga herders zoeken die werkelijk weiden en bijeenhouden, en er komt nog eens echte goede herder, die gerechtigheid brengt, en bij wie iedereen zich veilig kan voelen'.
In Jezus wordt deze profetie werkelijkheid. Die goede herder zoekt helpers die het kwaad zullen bestrijden, die de verdeelde mensen weer zullen samenbrengen, behoeden en bewaren. Met die opdracht zendt Hij hen weg. Wanneer ze terugkomen van hun eerste - zeg maar - stageperiode, hun eerste missietocht, gunt Jezus hun de nodige rust. Ze mogen van Hem op adem komen, uitrusten van het ‘kerkenwerk'.
In veel parochies wordt door herder en kudde hard en ijverig gewerkt ten bate van mensen en de geloofsgemeenschap. Het is dan heel goed zo nu en dan eens uit te rusten en vakantie te vieren. Maar ook door het jaar is het wijs en goed op adem te komen, Biddenderwijs bij God, pratenderwijs bij elkaar. Waar alleen maar hard gewerkt wordt, en bezinning ontbreekt, zal het werk vastlopen.
Als vanzelf gunt Jezus zijn medewerkers de nodige rust, en Hij brengt hen daarom naar een rustige plek. Tenminste, dat denkt Hij. Want wanneer ze aan de overkant van het meer zijn aangekomen, staan er alweer volop mensen Hem op te wachten. ‘Hij kreeg medelijden met hen’, schrijft Matteüs, ‘want zij waren als schapen zonder herder'.
In Jezus’ tijd zijn er overigens geestelijk leiders genoeg, en volop priesters. In Jeruzalem hoeven ze slechts bij toerbeurt dienst te doen. En het ontbreekt hun niet aan schriftgeleerden, geleerde mannen die de boeken van Mozes bestudeerden, en de godsdienstwetten en regels uitlegden. Geestelijk leiders genoeg, maar te weinig echte herders blijkbaar. Godsdienst is boekenwijsheid geworden, en vroom leven is minutieus de wetten onderhouden. En al die geleerde meneren geven blijkbaar geen antwoord op de vragen en noden van gewone mensen. En dan komen - ook in onze dagen - de herders zonder schapen.
Jezus wordt dus gezocht omdat Hij een echte herder is, zo een als Jeremia al schilderde, eentje die echt luistert naar de vragen en noden van mensen, en die zich inzet voor een eerlijke samenleving. En wanneer het ook Hem wel eens te veel wordt, trekt Hij zich terug op een eenzame plaats om uit te rusten, om te bidden, om tot zichzelf te komen, om kracht op te doen. Hetzelfde leert hij aan zijn leerlingen: zorg hebben voor mensen, maar ook pauzeren, niet uit gemakzucht, maar om kracht op te doen ten bate van anderen.