Er staan zinnen in het evangelie, waarbij je al lezend even moet blijven stilstaan om ze echt te kunnen begrijpen, zinnen die Jezus ten volle uittekenen. Zo een kostbare zin staat ook in het evangelie van vandaag: Hij had medelijden met de grote menigte. Nu is het opvallend dat dit woord ‘medelijden’ in het Hebreeuws en het Bijbel-grieks de goedheid van God tracht uit te drukken door een term die rechtstreeks met de ingewanden te maken heeft. Het heeft dezelfde stam als ‘moederschoot’. Het woord doet dus denken aan een moeder die helemaal zorgend gericht staat op het broze, kleine, kwetsbare leven dat zij in haar eigen schoot meedraagt. En wat daarbij nog eens opvalt is dat dit woord ‘medelijden’ nagenoeg exclusief op God betrekking heeft en wanneer het ook van een mens gezegd wordt, dan wil men daarmee zeggen dat deze mens bewogen is zoals God zelf. Zo laat Jesaja God zeggen: ‘Zou een moeder haar kind kunnen vergeten, dat zij in haar schoot gedragen heeft? En zelfs als een moeder dat zou kunnen, ik vergeet u nooit!’ Medelijden heeft haar woonplaats in de moederschoot. Met een zorgende moederliefde is God aanwezig bij het lijden van de mensen, vooral van de meest weerlozen. Hij wordt er tot in het diepst van zijn wezen door geraakt.
Jezus gebruikt dit woord ‘medelijden’ in zijn parabels slechts drie keer en telkens is het een verwijzing naar de manier waarop God zich over mensen ontfermt. Zo zegt Jezus dat de vader van de verloren zoon, door medelijden bewogen werd bij het terugzien van zijn haveloze jongste zoon. Vanuit de diepte van zijn ingewanden deed die vader dingen die de meeste vaders nooit zouden doen: hij omarmt hem en kust hem, hij richt een feestmaal aan opdat zijn zoon zich weer zijn zoon zou kunnen voelen.
Zo zegt Jezus ook dat de barmhartige Samaritaan door medelijden werd bewogen bij het zien van die half doodgeslagen man langs de weg. Omdat hij tot in zijn ingewanden geraakt werd, deed hij voor die verlaten man langs de weg dingen die hem niet werden ingegeven door zijn verstand maar enkel en alleen door zijn hart, omdat hij medelijden had.
Verder vertelt Jezus nog van die heer die aan zijn knecht een miljoenenschuld vergaf, omdat hij medelijden met hem had. Hij rekende hem zijn schuld niet aan en schold hem alles kwijt. Zulk medelijden is heel wat anders dan edelmoedigheid, het komt voort uit het geraakt zijn tot in zijn ingewanden.
Zo tekent Jezus zich zelf uit als Hij zegt: ‘Ik heb medelijden met de menigte, omdat ze zijn als schapen zonder herder’. Jezus wil ons dragen; zoals een moeder haar kind draagt of zoals een herder het verzwakte schaap op zijn schouders draagt.
Jezus lijdt ook nu nog mee met alle mensen die in nood zijn. ‘Ik was hongerig… Ik was naakt, Ik was ziek, Ik was gevangen…’ Als wij echt zouden beseffen dat God zelf in de lijdenden verder lijdt, getroffen is tot in zijn ingewanden bij het zien van de verdrukten, dan zouden veel van onze vragen wegvallen: Waar blijft God? Waarom helpt God ons niet?
Als God zo meelijdt met alle mensen in nood, als wij Christus van nabij willen volgen, dan moeten ook wij, vanuit zijn gezindheid, tot in onze ingewanden geraakt zijn, bij het zien van zoveel lijden in deze wereld. Goddank kennen wij in deze tijd veel mensen die aan Gods medelijden gestalte geven, die hun goedheid niet afmeten volgens hun verstand, die zich zelf niet moeten dwingen tot een daad van edelmoedigheid, maar die als het ware verzonken zijn in die zee van Gods ontferming. Ik denk aan een Moeder Teresa, Helder Camara. Dat zijn mensen van groot formaat. Maar er zijn evenzeer mensen van kleiner formaat nodig, die het lijden van deze wereld willen filteren tot op de bodem van hun medelijdend hart. Zulke filters heeft deze wereld nodig om te kunnen bestaan. Ik hoop dat wij allen eens de zaligprijzing van Jezus mogen horen: ‘Zalig, omdat ge barmhartig zijt geweest'.