Jezus, onze Herder (2006)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 16e zondag · groen

Twee prioriteiten strijden bij Jezus om voorrang: zijn leerlingen komen terug van hun tocht, waarop hij ze zelf had uitgestuurd om de blijde boodschap te verkondigen. Jezus neemt de tijd om te luisteren naar hun belevenissen en daarna wil hij dat ze uitrusten, tot rust komen. Die rust wordt ze niet gegund. Door alle komende en gaande mensen kunnen ze zelfs niet eens rustig eten. Daarom neemt Jezus ze mee naar een eenzame plek, een eenzame plek die in de Schrift ook de plek is van gebed, de plek om tot God te komen.

Maar uit alle steden, hoeken en gaten komt een grote menigte Jezus achterna. Als hij ze ziet zijn ze in zijn ogen “als schapen zonder herder” en Jezus heeft met ze te doen. Het belang van de rust voor zichzelf en zijn leerlingen moet wijken voor de nood die hij bij de mensen voor zich ziet.
Volgende week horen we hoe Jezus de menigte brood te eten geeft, nu stilt hij allereerst de diepere honger: Jezus geeft ze onderricht. Pas als de menigte gevoed en vertrokken is, zal Jezus alsnog alleen de berg op gaan, en zijn leerlingen in de boot naar de overkant sturen.

In eerste instantie lijkt het een raar moment om onderricht te gaan geven, maar - als stadsjongen, anders dan Jezus niet bekend met herders en hun schapen - zie ik voor me het beeld van een grote groep mensen die niet weten waar ze het zoeken moeten. Misschien is er paniek, in elk geval onrust, mensen die heen en weer lopen en door elkaar heen praten, allemaal met hun eigen verhalen en ideeën zonder naar elkaar te luisteren, zonder enige samenhang. Wat Jezus dan doet, is ze richting wijzen, perspectief geven. Jezus neemt de rol van leraar aan. De volgende vraag is dan natuurlijk wat Jezus ze dan onderwijst. Het simpele en even vanzelfsprekende antwoord is natuurlijk: de Tora. De Tora is namelijk voor alle Joden precies dát: richtingwijzer.

En in de Tora staat zelfs een passage waarin Mozes over het volk Israël spreekt als “schapen zonder herder”. In het boek Numeri (27, 16-17) vraagt Mozes aan God om “iemand aan te stellen over de gemeenschap, die hen leidt en thuisbrengt, anders wordt de gemeenschap van JHWH als schapen zonder herder.” En God antwoordt op dit gebed van Mozes door Jozua aan te stellen, die het volk de weg zal wijzen en binnen zal leiden in het land van de belofte.

Toch zullen ook de opvolgers van Jozua niet altijd trouw blijven aan hun opdracht en verantwoordelijkheid. De profeet Jeremia spreekt over degenen die in zijn tijd zijn aangesteld als herder van Israël en geen oog hebben voor hun kudde. De schapen van Gods kudde, Gods volk loopt verloren, ja ze komen zelfs om, door de schuld, in doen en laten, van de herders, door wat ze doen en zeker ook door wat ze nalaten, door niet op te komen voor het volk dat aan hen is toevertrouwd, door ze niet de weg te wijzen. Ze denken daar misschien mee weg te komen, maar God roept ze ter verantwoording: “Ik zie jouw misdaden en Ik kom wel voor mijn volk op, Ik laat ze niet in de steek. Ik zal in jullie plaats andere leiders aanstellen, herders die werkelijk weiden, opdat mijn volk weer vruchtbaar kan zijn en talrijk. Ik zal weer een herder aanstellen, een wettige afstammeling van David.”

De liturgie van vandaag duidt Jezus als herder, als opvolger van Mozes, die net als zijn naamgenoot Jozua, in naam van God zal bevrijden, en als afstammeling van koning David, de herder. Zo wordt Jezus ons vandaag ook voorgehouden als ónze herder.

Zover was ik met mijn voorbereiding van de verkondiging toen ik het er thuis met mijn vrouw Corine over had, die deze zondag met deze zelfde lezingen aan het stoeien is. Zij stelde onbevangen de vragen die ik misschien te vanzelfsprekend had overgeslagen: Wat is dan een herder, wat maakt iemand tot een herder, en waarom zou Jezus onze herder zijn?

Natuurlijk zijn we ons bij het beantwoorden van die vragen allebei bewust van het feit dat wij zelf pastor zijn, dat letterlijk ‘herder’ betekent. Dus als ik zoekend en stamelend deze vragen probeer te beantwoorden, dan vergelijk ik mezelf niet met Jezus, al was het maar omdat hij niet alleen ónze herder is maar zeker ook míjn herder, juist ook in mijn rol als pastor. Tegelijkertijd geeft mijn antwoord hoe ik denk over herderschap en hoe ik Jezus zie als herder, wel richting aan mijn pogen om invulling te geven aan mijn verantwoordelijkheid als pastor.

Met dit in het achterhoofd zou ik zeggen dat een herder zich er om bekommert dat zijn kudde, zijn mensen leven vinden en tot hun recht komen, en dat er groei zit in de gemeenschap. De echte herder geeft zijn kudde wat ze nodig hebben, stilt hun honger. Dat is precies wat Jezus doet. Bij alle vragen waar het leven ons voor kan stellen, bij alle hoogte- en dieptepunten, en vooral in onze omgang met elkaar, met andere mensen, zet Jezus ons op het spoor van wat werkelijk leven is, geeft ons voedsel voor onderweg. Hoe vaak biedt dan niet de simpele vraag: Hoe zou Jezus hier mee omgaan? een even helder als verrassend antwoord. Het geeft mij richting in mijn leven, met vallen en opstaan, in mijn eigen situatie en met behoud van mijn eigen verantwoordelijkheid. Daarbij kan en ik wil me mijn leven niet voorstellen zonder Jezus als voorbeeld, zonder de Schrift, de Tora als richtsnoer, als levensperspectief. Soms wordt de weg meteen helder, soms geleidelijk, soms pas achteraf. Steeds opnieuw merk ik: er zit wel degelijk richting in mijn leven.

Met Jezus en die vele, vele anderen vóór en na ons, zeg ik daarom - in gelóófstaal - zing ik, bid ik:
Gij zijt steeds bij mij. Ik vrees geen kwaad.
Mij volgen uw heil en uw mildheid al de dagen van mijn leven.
Mijn herder is de Heer, nooit zal er mij iets ontbreken.

Zoeken in Preken Online