Neem niets mee voor onderweg... (2006)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 15e zondag · groen

De scholen beginnen aan hun laatste week voor de vakantie. In andere regio’s is de vakantie al begonnen, en daarmee de tijd van de grote uittocht. Na een jaar van hard werken, van allerlei verplichtingen, waarin anderen voor een groot deel van de tijd bepalen wat je moet doen, breekt voor velen nu de tijd aan van vrij zijn, alles achter je laten. De meeste mensen die op reis gaan, stouwen hun koffers helemaal vol, want we houden in het algemeen toch ook erg van onze eigen vertrouwde spulletjes, en willen niet het risico lopen om ergens zonder te moeten doen. ‘Alles achterlaten’ moeten dus vooral niet al te letterlijk nemen.

In contrast hiermee staat een groepje dak- en thuislozen die we met Sant’Egidio regelmatig in de buurt van de Nieuwmarkt treffen. Zij hebben geen eigen huis, hebben bijna niets bij zich en zien er toch altijd verzorgd uit. Op een gegeven moment toen we elkaar na een aantal ontmoetingen wat beter hadden leren kennen, kwam het gesprek er op dat het voor hen belangrijk is om er goed uit te zien. Toen wij vroegen hoe ze dat voor elkaar kregen, vertelden ze dat ze een adres hadden waar ze konden douchen en schone kleren konden uitzoeken. “En neem je dan geen extra kleding mee?” vroegen wij in onze naïviteit. Dat doen ze niet, om de eenvoudige reden dat je die dan ook de hele dag met je mee moet sjouwen, en dus gaan ze er van uit dat ze wel weer nieuwe vinden. In dit opzicht leven zij door de nood gedwongen van vertrouwen.

In het contrast tussen de vakantiegangers met hun uitpuilende koffers en onze vrienden van de straat wordt voor mij een beeld van het leven zichtbaar. Het leven is zo’n lange reis dat je het niet redt als je onderweg geen behulpzame mensen tegenkomt. Je gaat op weg in het vertrouwen dat het op een of andere manier wel goed komt. Zelf heb je het toch niet in de hand. Je kunt voor je levenstocht niet alles meesjouwen, want dan kom je helemaal niet vooruit. En daarmee zitten wij allemaal weer op gemeenschappelijk terrein, of we nu op vakantie gaan of thuisblijven, jong of oud, ziek of gezond. Wij zijn allemaal op reis en we worden allemaal uitgezonden. We worden het leven ingezonden, een onbekende toekomst tegemoet.

Zo gaat het ook met de leerlingen van Jezus in het evangelie. Jezus zendt de twaalf uit en verbiedt ze om van alles en nog wat mee te nemen. We kennen waarschijnlijk allemaal het spelletje ‘Ik ga op reis en ik neem mee …’ “Niets”, zegt Jezus. Nou ja niets, toch niet helemaal niets, blijkt als we verder lezen. Drie dingen moeten ze meenemen, geeft hij ze mee.

Het eerste is wat ik zou willen noemen een bepaalde levenshouding, waarbij het positieve zwaarder weegt dan het negatieve. Je zult het allebei tegenkomen, maar wat doe je er mee? Zo zegt Jezus dat ze geen eten mee moeten nemen, en het er onderweg van mogen nemen waar ze goed ontvangen worden en daar mogen blijven. Maar worden ze ergens niet goed ontvangen, dan moeten ze dit letterlijk achter zich laten, het stof van de voeten stampen als een aanklacht tegen die mensen, maar het zelf niet meenemen.

Het tweede dat Jezus zijn leerlingen meegeeft is dat ze er niet alleen voor staan. Hij stuurt ze twee aan twee uit opdat ze op elkaar kunnen steunen en elkaar kunnen aanvullen. Ook dit geldt voor heel het leven, ook voor ons leven: mens ben je pas volledig met een ander samen. Dit geldt principieel, of je nu gehuwd bent of samenwonend, of alleengaand: ons leven is niet bestemd om alleen te leiden, maar om samen een gemeenschap op te bouwen, hoe heerlijk en nodig het ook kan zijn om soms alleen te zijn. Voor de leerlingen die de opdracht om Gods koninkrijk te verkondigen, komt er nog bij dat twee meer weten dan één, dat ze elkaar ook in geloof dragen, en dat er twee nodig zijn om een getuigenis betrouwbaar te laten zijn.

En ten slotte als derde: Jezus verbiedt ze iets mee te nemen behalve een stok. Een stok is er natuurlijk om op te steunen, en om zich te verdedigen tegen slangen en andere dieren. Bovendien is een stok ook een teken van waardigheid, de scepter van de koning, een stok die Mozes mee had om het volk van God uit Egypte te leiden.

Ondanks de stok zijn de leerlingen van Jezus geen verlengstuk van een of andere wereldlijke macht, Van hen wordt een andere levensstijl verwacht, dat ze leven van vertrouwen zonder garanties, dat ze proberen te leven naar Gods bedoelingen.
Bij de profeet Amos zien we hoe dit tot een conflict leidt als hij optreedt bij het volk Israël, bij hun koning en hun priester. Die koning en de priester, symbolen van wereldlijke en religieuze autoriteit, spannen alleen maar samen om hun eigen positie te behouden en te verbeteren, ten koste van de armen in het land. Het duidelijkst blijkt dit nog uit de verspreking van de priester van Betel als hij Amos de tempel uitstuurt. Betel betekent letterlijk: huis van God, en toch noemt de priester de tempel een heiligdom van de koning, een gebouw van het rijk. Wie iets begrepen heeft van het koninkrijk van God, weet dat Gód daar koning is, en God is dáár koning waar armen, zieken en uitgestotenen tot hun recht komen.

Dat horen we ook meeklinken in de opdracht van Jezus. Het laatste wat Jezus zijn leerlingen meegeeft, is de macht over onreine geesten. Jezus bevrijdt zijn leerlingen van hun ballast, uiterlijk en innerlijk, en stuurt ze op weg met zijn bevrijdende boodschap. Dan kunnen zij ook anderen bevrijden.

Ieder van ons heeft op z’n tijd ook last van de eigen boze geesten, onze schaduwkanten, al wat er bij ons van binnen allemaal kan spoken. Pas als we die schaduwkanten van onszelf onder ogen zien en er vrede mee sluiten, leren we er mee omgaan, en helpt het ons om anderen niet te verstoten om hún moeilijke kanten.

Zo zijn de leerlingen in staat om de zieken te zalven met olie en ze te genezen, de olie die mensen zalft voor hun opdracht als koning, als profeet, als volgeling van Jezus. Zo kunnen zij zíjn boodschap doorgeven, ook aan de zieken: “Sta op, koningskind, met jou heb ik bijzondere plannen.”

Zo stuurt Jezus ons vandaag op weg, het leven in, de onbekende toekomst tegemoet, en hij geeft ons mee voor onderweg …
ik zou zeggen: vertrouwen, al wat wij nodig hebben om als mens te leven, om zijn leerling te zijn.

Zoeken in Preken Online