“Een profeet wordt overal geëerd, behalve in zijn eigen stad.” Hier noemt Jezus zich zelf een profeet. Het is met droefheid dat Jezus dit zegt, want een volk dat zijn profeten niet eert, weet geen weg meer in de toekomst. De moord op de profeten noemt Jezus de eigenlijke ziekte van zijn volk: “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt.” Jezus en de profeten werden gedood, niet omdat ze een dwaalleer verkondigden, integendeel omdat ze de mensen opriepen tot het goede.
Voor ons zijn profeten meestal mensen die de toekomst voorzien of voorspellen. In werkelijkheid zijn het mensen die midden in hun tijd staan en voelen wat in de lucht hangt. Het zijn mensen die in twee werelden thuis zijn: in de wereld van God en midden in de realiteit van deze wereld. Zij proberen deze twee werelden samen te brengen. Daarom is Jezus ook de grootste onder alle profeten. Jezus wilde geen vrede nemen met een maatschappij waarin het kleine, het arme, het marginale verdrukt werd. Dat is Gods wil niet. God wil dat alle mensen leven en tot de volheid van leven komen. Daarom riep Hij de mensen onophoudelijk op tot bekering en het bleef bij Jezus alleen niet bij woorden. Hij begon zelf met wonderbare dingen te doen. Mensen die blind waren, die het niet meer zagen zitten, gaf Hij nieuw levensinzicht. Mensen die verlamd waren door tegenslag hielp Hij weer op weg. Anderen die in de levensstroom dreigden kopje onder te gaan, gaf Hij weer vaste grond onder de voeten.
Wat Jezus niet in dank werd afgenomen was de afkondiging van deze nieuwe wereldorde, die Hij het Rijk van God noemde. Mensen zoeken hun eigen heil, zij hebben Gods heil niet nodig, zij maken hun eigen levensplannen, ook al wordt het dan een toren van Babel. Daarom kon Jezus daar ‘in zijn eigen stad’ geen wonderen doen.
De wereld is niet veranderd. Maar er zijn goddank nog altijd profeten, die in naam van God, in opstand komen tegen onrecht en corruptie. Maar ook nu nog kunnen zij geen wonderen doen. Er zijn nog te veel mensen achter de schermen, die er baat bij hebben dat er niet te veel veranderd wordt, dat de Kerk met rust gelaten wordt. Zij zweren bij de gevestigde orde, die dikwijls niets anders is dan een sociale wanorde.
Jezus waarschuwt ons vandaag dat wij de stem van de profeten toch niet smoren in geweld, dat wij de profeten toch niet monddood maken. Als in een parochie de profetische mensen geen klankbord meer vinden, niet meer worden herkend, zal de parochie langzamerhand doodbloeden. Dan geven we aan Gods Geest de ruimte niet meer die hem toekomt.
Als gedoopten hebben wij allemaal deel aan het profetenambt van Jezus. “Mensenkind, sta rechtop”, is de Godsspraak van de Heer, ook voor ons. Je mag niet rustig blijven liggen of zitten, alsof er in de wereld geen onrecht gebeurt. Je moet profeet zijn op jouw plaats, soms tegen wil en dank, door op te komen tegen onrecht en corruptie.
Ook onze tijd heeft zijn profeten. Bisschop Romero, die opgeroepen werd om te spreken als een profeet, door zijn vermoorde vriend. Maarten Luther King, die bij het zien van de ellende van zijn volk, werd opgeroepen om het te bevrijden. Bisschop Adriano uit Brazilië, die uit zijn huis werd gehaald, ontkleed en met rode verf beklad door zijn “medechristenen”, die hem te rood vonden. En ook vandaag worden deze profeten vermoord. Jezus roept ons op om profeet te zijn op onze plaats. Geëerd zullen we ook nu niet worden, maar wellicht doet Jezus door ons toedoen toch een wonder.