Wat is het verschil tussen een optimist en een pessimist? Iedereen kent het antwoord: de optimist vindt dat het glas (nog) halfvol is en de pessimist dat het (al) halfleeg is. Zoek het verschil dus niet in de feiten, maar wel in de houding tegenover de feiten. De dingen zijn zoals ze zijn. Het hangt er helemaal van af hoe je ertegen aankijkt.
Kan die vergelijking een licht werpen op het voorval in Jezus’ vaderstad? Hij gaat daar onderricht geven in de synagoge. Veel toehoorders zijn verbaasd over zijn wijsheid en zijn wonderdaden. Elders bezorgt dat Hem vrij grote bijval en geloof. Maar zijn stadsgenoten wijzen Hem af: ‘Dat is toch de timmerman, de zoon van.., en de broer van…’ Ze nemen aanstoot aan Hem. Toch valt aan te nemen dat Jezus daar hetzelfde wil doen als overal elders: prediken, mensen genezen, zonden vergeven, duivels uitdrijven. De feiten zijn wat ze zijn, maar hier, in zijn eigen vaderstad, kijkt men er heel anders tegenaan. Jezus staat er zelf verbaasd van. Waarom die afwijzende houding?
Men kan een verklaring gaan zoeken in een soort jaloezie onder gelijken. Men neemt het niet dat iemand van de eigen groep uit de band springt en meer is of kan dan de anderen. ‘Niemand is sant in eigen land,’ zegt de volksmond. Maar is daarmee alles gezegd?
Jezus vindt in zijn eigen vaderstad geen geloof. Welnu, geloof heeft in laatste instantie altijd betrekking op God. Misschien reikt zijn vaststelling dus veel dieper dan volkse wijsheid. Jezus vergelijkt de afwijzing die Hij ervaart met wat de profeten overkomt: ‘Een profeet wordt overal geëerd, behalve in zijn vaderstad, bij zijn familie en in zijn eigen huis.’ Profeten zijn geen succesvolle zakenlui of mensen die het op een of ander gebied ver geschopt hebben en dus benijd worden door hun eigen volk. Profeten zijn godsmannen. Zij treden op in Gods naam.
Jezus’ stadsgenoten behandelen Hem, misschien zonder het zelf goed te beseffen, als een profeet. Waarom kan of mag Hij dat niet zijn? Wat verwijten ze Hem? Geen verkeerde woorden of misstappen. Ze laten het bij de vaststelling dat Jezus een gewone jongen uit hun midden is. Te gewoon, zeg maar. Hij heeft niets opvallends, niets dat Hem voorbestemt om grootse dingen te doen. Hij is geen geniaal denker of groot geleerde, geen rijke sjeik of machtig veldheer, geen getalenteerd schrijver of buitengewoon begaafd kunstenaar. Hij oefent een gewoon beroep uit. Zijn afstamming is bekend zoon van…, broer van…
Dan is het inderdaad een kwestie van hoe je ertegen aankijkt. Zijn ‘gewoon-mens-zijn’ kan dan een obstakel zijn voor het geloof. Of de uitgelezen kans om inderdaad in Hem te gaan geloven als de gezondene van God. Zijn ‘gewoon-maar-mens-zijn’ is dan het ultieme bewijs van Gods gratuïteit voor ons. God heeft geen supermensen nodig om rot ons te komen, maar heel gewone mensen, zoals die timmerman.