Ergernis en afwijzing

B-cyclus · Tijd door het jaar · 14e zondag · groen

Dat Jezus door de meesten van zijn landgenoten afgewezen werd en zij ergernis aan Hem namen, dat blijkt heel dikwijls uit het evangelie. Hij werd afgewezen vanaf de kribbe tot aan zijn kruis en telkens vinden de mensen weer redenen om aanstoot aan Hem te nemen. Maar het gedrag van zijn dorpsgenoten is toch wel heel uitzonderlijk.

Eerst zijn zij verbaasd over zijn wijsheid, zij luisteren gespannen naar zijn woorden en staan verwonderd over zijn goddelijke kracht. Maar zodra het tot hun bewustzijn doordringt dat Hij eigenlijk toch maar de zoon van de timmerman is, houdt alle erkenning op. Zijn afkomst was hun eigenlijk toch een beetje te gering. Hier wordt de uitspraak van Sint Jan de evangelist in de volle zin van het woord bevestigd: ‘Hij kwam bij de zijnen, maar de zijnen aanvaardden Hem niet'.

Wie verdient het meest ons medelijden: Jezus die afgewezen wordt, of de mensen die Jezus afwijzen? Zijn dorpsgenoten in elk geval stelden zich de Messias heel anders voor. In deze handwerker, waarvan ze de levensloop helemaal kenden, nee, daarin konden ze de Messias niet herkennen.

Als iemand in zijn religieuze noden en in zijn religieuze verwachtingen niet ontgoocheld wil worden, dan moet hij zich op de eerste plaats oriënteren naar Gods plannen en Gods woorden. Hij mag niet verwachten dat God zich zal aanpassen aan de dromen en de verwachtingen van een mens. De mensen van Nazaret echter hadden hun eigen voorstellingen van God en de Messias, en daarin paste de eenvoudige afkomst en het beroep van Jezus niet. Zij namen aanstoot aan Hem.

Houden wij er zelf echter niet vaak dezelfde maatstaven op na als de ontgoochelde dorpsgenoten van Jezus? Nemen wij ook geen aanstoot aan de tegenwoordigheid van Jezus onder de eenvoudige gedaanten van brood en wijn? Zo wil Jezus voor ons voedsel zijn voor eeuwig leven, maar wij kunnen ons zo moeilijk voorstellen dat God juist onder deze eenvoudige gedaanten ons goddelijk leven wil meedelen. Het stoort ons dat Gods tegenwoordigheid zo verborgen is. Het behoort tot Gods manier van handelen om ons mensen te verrassen met heel eenvoudige en menselijke dingen. Dat Hij onder deze eenvoudige tekenen bij ons tegenwoordig wil zijn, dat nemen wij bijna even moeilijk aan als de inwoners van Nazaret konden aannemen dat God kon schuilgaan in de persoon van deze timmermanszoon.

Op dezelfde wijze ergeren wij ons vaak over de Kerk. Dat God ons zijn heil juist wil schenken door deze Kerk, dat kunnen wij moeilijk aannemen, dat lijkt ons ongeloofwaardig. Wij menen soms dat wij de Kerk niet nodig hebben om tot God te komen. Maar ook hier handelt God niet naar menselijke voorstellingen. God wil zich van kleine, vaak zondige mensen bedienen om deze wereld het leven en de verzoening aan te bieden. Door de sacramenten worden ons onzichtbare heilsgaven aangeboden. Dat te geloven, is dat niet te veel van ons gevraagd? Wij kunnen even moeilijk als de dorpsgenoten van Jezus het goddelijke en menselijke in één persoon samenbrengen. Daarom ergeren wij ons aan die of die persoon. Maar toch handelt God door mensen, ook als Hij weet dat wij ons steeds weer aan mensen zullen ergeren. Onze aanstoot en onze afwijzing zullen Hem niet ontmoedigen.

‘Jezus kon daar geen wonderen doen’. Er zouden in onze Kerk, in onze parochie, ook veel meer wonderen kunnen gebeuren, als wij het getuigenis van de profeten die midden onder ons wonen, de goede mensen, waardoor God wil handelen, zouden aanvaarden

Zoeken in Preken Online