“Hoe kom ik over?” Die vraag is belangrijker geworden dan: “Wat heb ik te zeggen?”
De eerste minister heeft een communicatie deskundige die hem influistert hoe hij van elke mededeling een goed nieuws show kan maken.
Vedetten hebben een legertje deskundigen in dienst die hen voorschrijven hoe zij zich moeten kleden of niet kleden. Met welk een spel van klank en licht zij zich moeten omgeven om het gebrek aan inhoud en melodie te verdoezelen.
Men noemde Toon Hermans een klein kunstenaar, maar eigenlijk was hij een groot kunstenaar omdat hij soms maar alleen een zakdoek of een stoel nodig had om zijn boodschap over te brengen.
God is een nog groter kunstenaar. Hij nam een doodgewoon mens, een jongeman uit Nazareth - ‘Zijn broers en zussen wonen bij ons in de straat ‘-. Een jongeman uit een gewoon gezin, met een adres en een beroep om zijn boodschap over te brengen.
Nu neemt een stukje brood dat we op onze hand nemen, om te zeggen wat Hij voor ons betekent.
En het strafste van al. Hij toont zijn gelaat in het gelaat van mensen die niets betekenen, van die mensen die geen telefoon of geen auto hebben en overal nevens pakken. Wat je aan die mensen doet, dat heb je aan Mij gedaan zegt Hij.
Wij noemen die mensen: kansarmen, maatschappelijk achteruit gesteld. We maken ze tot een probleem dat ergens moet opgelost worden. Maar het gelaat van God? Laat ons serieus blijven.
Wij zijn net zoals die inwoners van Nazareth, we nemen er aanstoot aan.
God is verwonderd over ons. Het wonder kan niet geschieden. Mensen zoals wij laten zich niet genezen.