Wanneer zal de storm helemaal in u gestild zijn? Wanneer zult ge antwoord geven op de vraag: ‘Wie is Hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen’? Gij weet het niet. Op datzelfde ogenblik zal Hij zelf de storm van uw leven stillen en het antwoord geven. Uw vruchten zal Hij bij zijn oogst voegen, Hij zal u meren in zijn haven en gij zult niet meer vragen wie Hij is.
Het zijn de leerlingen die vragen: ‘Wie is Hij toch’? Zij die met Hem in de boot zijn. Zij die Hem al een hele tijd volgen van dichtbij. Zij die met Hem leven zonder Hem eigenlijk te kennen. Waarom volgen ze Hem? Ze zoeken de storm van hun leven te stillen. Of zoeken ze een storm mee te maken en te ontsnappen aan de effen dagen van hun bestaan? In elk geval volgen ze Hem, komen ze altijd dichterbij, eerst door Hem aangetrokken, dan meegetrokken, onweerstaanbaar meegezogen tenslotte in de wervel van zijn bestaan, die alle goed in hen heftig wakker schudt, in de kern van zijn geestelijk bestaan, in Gods onmiddellijke nabijheid en die alle kwaad in hen zuiverend naar buiten zwiert, naar de buitenste kant van hun bestaan, naar de verste horizon van hun herinnering, totdat het niet meer van hen is, totdat het helemaal van ze loskomt, totdat ze er niets meer mee te maken hebben, totdat ze dicht bij Hem, in hun baan gehouden door zijn goddelijke rotatie, anderen mee zullen betrekken in steeds kleinere kringen en het kwaad uit het leven van nieuwe leerlingen zal weggeslingerd worden. De benieuwde toehoorders van het begin worden opgenomen in de storm van zijn bestaan en nemen hun ambt op, elk in zijn baan, van leraar en apostel en profeet en getuige, door alle stormen van leven en dood. Vast wordt hun beweging, ze draaien niet meer op zichzelf, ze zijn geen riet meer ‘door de wind bewogen’, geraken niet meer in de greep van de kleine stormen en worden niet meer gevangen in de windstilten van wat hun leven was toen ze Hem nog niet kenden.
Ook in het stillen van de storm openbaart Jezus zich altijd verder. Wie met Hem in de boot is vraagt wie Hij en vraagt terzelfder tijd wie hijzelf is, waarom hij eigenlijk iemand gevolgd heeft die hij tenslotte nauwelijks kent. ‘Midden onder u staat Hij die gij niet kent’, had Johannes gezegd. Hij ligt te slapen in de storm, ‘aan de achtersteven op het kussen’. God zelf rust midden onder de mensen. Ze zijn niet overgeleverd aan de storm, het is de storm die overgeleverd is aan hun boot, aan Hem die ligt te slapen. God zelf is onder hen in Jezus, de jonge leraar uit Nazaret. toch mag zijn. Waar Hij slaapt, wordt alle slapende kwaad wakker, jaagt het de mensen en de elementen zelf op, stuwt het de zee tot schuimkoppende woede, laat het de leerlingen die ’nog geen geloof’ bezitten, wegzinken in afgronden van schrik.
Een woord van Hem volstaat om de woede tot zwijgen te brengen en de angst tot spreken: ‘Wie is Hij toch’? De wind en het water gehoorzamen Hem onmiddellijk. Is Hij niet Dezelfde die aan de zee bevolen had: ‘Tot hier en niet verder, hier breken uw trotse golven’? De ziekten en kwalen, de duivels die de mensen beklemd houden, wijken op zijn eenvoudig bevel. Wat in zijn schepping zonder rede is schikt zich prompt, als bloemen die zich openen en sluiten voor de dag en de nacht. De duivels die scherp en helder zien weten dat weerstand nutteloos is: ze verlaten hun prooi met een luide schreeuw van wanhoop: ‘Gij zijt de Zoon van God’! ‘Maar Hij verbood hen met klem Hem bekend te maken’. Ook al is één woord van Hem voldoende, Hij wil het duizend keer herhalen als Hij spreekt tot de vrije mens. Hij spreekt het vrije Woord. Hij kan bevelen maar Hij nodigt uit. Hij laat heel het leven de tijd om te antwoorden. Zalig die Hem vroeg hun vrije antwoord geven. Ze zullen zelf de stormen tot zwijgen brengen.