De manier waarop wij een evangelie als dat van Marcus in onze liturgie lezen, doet zo’n verhaal geen goed. We lezen en horen een klein fragment uit een zorgvuldig samengesteld vlechtwerk van betekenissen en gebeurtenissen. Een compositie waarin het een het ander verklaart, uitlegt en zo bij elkaar houdt. Het is als het kijken naar een detail - bijvoorbeeld een sjerp of een gelaat - uit een groot schilderij als de Nachtwacht, zonder daarbij te letten op het hele doek.
De tekst uit Marcus is een heel bekend verhaal. Het verhaal van de storm op zee. Als we het zo zeggen, zitten we al fout. Het is niet ‘het’ verhaal van de storm op zee. Het is een van de twee verhalen van zo’n storm bij Marcus (4,35-5,1; 6,54-53). Twee verhalen die praktisch parallel lopen. Er is maar een verschil. In het ene geval gaat Jezus met hen mee naar de andere kant, en in het tweede geval stuurt Jezus hen naar de andere kant. Dat ‘de andere kant’ is volgens vele bijbelvorsers, die deze verhalen in de context van het hele evangelie van Marcus lezen en niet als een op zich staand vignet, belangrijk.
Wat betekenen in die context deze twee dramatische overtochten, waarbij de leerlingen in beide gevallen bijna omkomen om op het laatste nippertje door een wonder gered te worden? Deze twee overtochten zijn overigens niet de enige boottrips die Jezus bij Marcus maakt. Er zijn er in totaal zes, en in vier daarvan gaan ze ‘naar de andere kant’ van de zee. Zelfs die term ‘zee’ is vreemd. Waarom spreekt Marcus niet van een meer? Want dat was het eigenlijk toch. Waarom maakt hij er een zee van?
Er kan maar een verklaring zijn. Aan de ene kant van het water lag de joodse wereld en aan de andere kant de heidense wereld. Twee werelden die zo verschillend zijn van elkaar dat een meer ertussen inderdaad symbolisch wel een oceaan is.
Het is van die symbolische maar ook werkelijke afstand dat Jezus zegt: ‘Laten we naar de andere kant gaan!’ Dat doen ze, maar het moet tegen al hun instincten in gegaan zijn. Ze kenden Jezus nu een beetje. Ze wisten wat er zou gaan gebeuren. Hoe hij ze in de moeilijke positie zou brengen aan te zitten met mensen die ze nooit van hun leven voor vol hadden aangezien. Met deze verhalen plaatst Marcus Jezus in het grootste menselijke conflict van zijn tijd, van onze, en waarschijnlijk van iedere tijd, tot het einde komt en we erkennen dat God alles in allen is. Een moeilijkheid die in Jezus’ tijd in hetzelfde Midden-Oosten een crisishoogte bereikte, zoals ze dat daar in onze dagen ook doet: het verschil tussen de oostelijke en de westelijke oever!
Alles in zijn leerlingen verzet zich ertegen. In het tweede verhaal forceert Jezus hen zich in te schepen (6,45). Ze waren als de dood zo bang dat ze bij een dergelijke integratie zichzelf zouden verliezen, dat ze er in zouden omkomen, dat ze er in zouden verdrinken.
Jezus nodigt hen uit - in de naam van komende koninkrijk van God - de obstakels te overwinnen, Hij doet dat door gewoon te zeggen: ‘Laten we naar de andere kant gaan.’ En hij is er zo gerust op dat het zal lukken, dat hij zonder de minste moeite op een kussen achter in de achtersteven van de boot in slaap valt. De storm steekt op. Alles zit hen tegen. De golven slaan over hen heen. De boot loopt vol. Op het angstige hoogtepunt van het verhaal schreeuwen ze doodsbang naar hun slapende leider: ‘Meester, ben je niet bezorgd voor ons? We komen om!’ Jezus staat op. Hij kalmeert niet alleen maar de wind en het water, maar ook zijn tochtgenoten. ‘Waarom zijn jullie zo bang? Hoe is het mogelijk dat jullie nog niet geloven!'
Suggererend dat dit, het ‘naar de andere kant’ gaan, inderdaad mogelijk is. En weer worden ze bang, en zij vragen zich en elkaar af: ‘Wie is hij toch, dat zelfs de wind en het water naar hem luisteren?'
Het verhaal eindigt op die twee vragen. Vragen die niet beantwoord worden. Vragen die zijn blijven klinken tot in onze dagen. De vraag van zijn leerlingen is nog steeds de onze: ‘Wie is hij toch dat hij denkt dat we “met de andere kant” contact op kunnen nemen, zonder daarbij zelf om te komen en te verdrinken.'
Maar ook zijn vraag klinkt nog steeds: ‘Waarom zijn jullie zo bang? Hoe is het mogelijk dat je nog geen geloof bezit?'
Vragen die alles te maken hebben met de manier waarop we nog steeds reageren op ‘de andere kant’ met bommen en raketten, met scuds en patriots.