Waar is de Heer wanneer het stormt? Waar is Hij wanneer we de wind tegen hebben in het leven? Juist wanneer we Hem hard nodig hebben, lijkt Hij nergens, wekt Hij de indruk te slapen op de achtersteven van ons leven. Met de apostelen roepen we: ‘Raakt het U niet dat wij vergaan?!'.
Dat was ook de ervaring van de eerste christenen. Zonder Hem moesten ze verder. Ze stuitten op tegenstand en tegenwerking van de gevestigde orde. Hij laat ons aan ons lot over, dachten ze. En dat hebben sindsdien ontelbare mensen hun nagezegd: mensen die zwaar werden beproefd, mensen die de wind fel tegen hadden, en op en neer geslagen werden op de golven van het bang-makende leven: ‘Raakt het U niet dat wij vergaan?'.
Wanneer het kwaad goede mensen treft, is er altijd die vraag: Waarom? Hoe kan God dit toelaten? Een vraag zo oud als de wereld, een probleem zo oud als het verhaal over de man Job, die in al zijn onverdiende ellende God ter verantwoording roept: Waarom doe Je me dit alles aan?
Maar God stelt een tegenvraag aan Job: Waarom roep je Mij ter verantwoording wanneer het leven tegenzit? Waarom verwijt je Mij je ongeluk en je kwade dagen? Waar was je toen het je goed ging? Waarom heb Ik je niet gehoord toen je de wind mee had? Wel mopperen en klagen tegen God wanneer het ons slecht gaat (en dat is best begrijpelijk), maar waarom niet dankbaar naar God gegaan toen we in rustig vaarwater alles mee hadden, en het ons voor de wind ging? Dat is een eerste les van deze zondag.
Gaandeweg - zo vertelt ons het verhaal - ontdekt Job dat God niet zo almachtig is dat Hij alle ellende kan tegenhouden, rampen kan voorkomen. Wat God wel kan en doet - zo gaat Job geloven -, is je in alle ellende en verdriet nabij blijven. Hij lijdt met je mee, en ooit, ergens aan de overkant van het leven, zal alle storm bedaren. Die hoop, dat geloof, maakt Job tot iemand die het uithoudt in de verdrukking. Maar zo’n geloof komt je niet aangewaaid. Je moet het bevechten op de twijfel, en sommige mensen wordt het wel heel moeilijk gemaakt. Toch vormen deze hoop en dit geloof de weg om te kunnen overleven. Dat is de tweede les die we uit de lezingen kunnen trekken: blijven vertrouwen en niet in paniek raken.
Vorige week hoorden we Jezus vertellen over een boer die zaait en daarna rustig gaat slapen; ondertussen ontkiemt het zaad. Met dat verhaal vroeg Jezus ons geduld te hebben: geduld met jezelf, geduld met anderen, geduld met de komst van een nieuwe wereld, het rijk Gods. Vandaag horen we dat diezelfde Jezus in het noodweer ligt te slapen - even gerust als die boer - terwijl de golven over de boot slaan. Hij is niet bang te krijgen, blijkbaar. Hij raakt niet in paniek bij tegenwind. Hij heeft een geweldig vertrouwen in de goede afloop. Hij weet God in het leven nabij, bij tij en ontij. En Hij kent God bij zijn naam: Ik-zal-er-zijn. Die naam vergeten de leerlingen voortdurend, en daarom zegt Jezus: ‘Kleingelovigen!'.
Soms ontmoet je grootgelovigen: mensen die God niet vergeten te danken wanneer het goed gaat, en die hun vertrouwen in Hem niet opzeggen wanneer het slecht gaat. Ze blijven in de storm op Hem vertrouwen. Soms ontmoet je mensen - en ook dat zijn grootgelovigen - die, in plaats van God de schuld te geven, zelf de handen uit de mouwen steken. Ze blijven je nabij in de storm. Ze helpen je door je zorgen heen. Ze geven je een veilig gevoel, vertrouwen. Ik-zal-er-zijn is de naam van God, en er zijn gelukkig ook nogal wat mensen die zijn naam eer aandoen, mensen die je laten voelen: ik-zal-er-zijn voor jou, voor jullie.