Als je het stukje evangelie dat wij zojuist gehoord hebben, wat aandachtiger leest, dan valt het op dat er nogal wat oneffenheden in zitten. Kan een zo geweldige storm wel ontstaan op een betrekkelijk klein meer? Hoe kon Jezus in alle rust slapen terwijl het bootje schijnbaar als een notendop heen en weer werd geslingerd? De evangelist heeft ons hier geen historische beschrijving willen geven van een storm op zee. Hij heeft hier een geloofsgetuigenis willen neerschrijven en daarom gebruikt hij ook woorden die theologisch geladen zijn. B.v. slapen wil hier zeggen: een buitenstaander zijn, zoals ook Jona sliep tijdens de storm, zoals de apostelen sliepen in de Olijfhof.
Het verhaal over het stillen van de storm werd op schrift gebracht, toen de eerste christenen ook door een geweldige storm getroffen werden, toen zij werden verdreven, gefolterd en gedood. En die christenen worstelden met de angstige vraag: waar blijft de Heer? Waarom moeten wij zulke onmenselijke mishandelingen ondergaan? Waarom zijn we geen ogenblik veilig? Waarom stilt de Heer de storm niet? De evangelist wil met dit verhaal zijn vervolgde geloofsgenoten een riem onder het hart steken en herinnert daarom aan dat voorval uit het leven van Jezus. Wij mogen ons daarom niet afvragen: wat is er nu precies gebeurd? Op die vraag krijgen we geen antwoord. Maar de vraag moet luiden: wat wil de evangelist duidelijk maken aan zijn medegelovigen en natuurlijk ook aan ons?
Het antwoord op die vraag is duidelijk. Ook in de ergste storm van het leven, ook in tijden van vreselijke vervolging, is de Heer nabij. Wat je in het leven ook tegenkomt: verdriet, tegenslag, onbegrip, eenzaamheid, leed en pijn, de Heer zal erbij zijn. Ook al schijnt Hij te slapen, ook al merken wij niets van zijn aanwezigheid, bij Hem zijn wij veilig.
Die boodschap heeft de Kerk vandaag ook nog nodig. De Kerk ligt niet meer veilig gemeerd in een rustige haven, zij is in dit stormachtig wereldgebeuren de mensen tegemoet gevaren en ze wordt ook nu nog gebeukt en geslingerd door tegenwind en tegenstroming. De hedendaagse crisis in de Kerk hoeft ons helemaal niet te verwonderen. Het is eenvoudig de weerslag van de wereldcrisis. De daling van het aantal roepingen, het teruglopen van de zondagspraktijk, de onzekerheid tegenover de nieuwe wereldstructuren. De crisis hoeft ons niet te verwonderen, ze mag ons nog veel minder beangstigen. God staat niet onverschillig tegenover dit wereldgebeuren, Hij slaapt niet bij het schrijnend onrecht in deze wereld. Hij nam van de apostelen het stuur niet over. Hij zal het ook nu niet in eigen handen nemen. Jezus heeft aan de Kerk nooit geen rustige overvaart beloofd, maar wel een veilige thuishaven. Wij hoeven niet bang te zijn. In de kerkgeschiedenis zijn er al erger tijden geweest, maar telkens heeft de Heer bewezen dat Hij Heer en Meester is over wind en water.
Paus Johannes XXIII zei eens: ‘Wie in God gelooft, bibbert niet!’ Wie op de Heer durft vertrouwen, is tegen de storm opgewassen. Hij hoeft daarom geen wonderen te zien, hij voedt zijn geloof met het woord van God.
Onder de terreur van het nazi-regime schreef een Warschauwer Jood op de muur van het getto: ‘Ik geloof in de zon, ook al zie ik die niet; ik geloof in de liefde, ook al ervaar ik die niet; ik geloof in God, ook al helpt Hij mij schijnbaar niet.’
Al in het Oude Testament had de profeet Jesaja dat vertrouwen op een onovertroffen wijze verwoord: ‘Zou een moeder soms haar kindje vergeten? Zou zij niet bezorgd zijn om de vrucht van haar schoot? En zelfs, al zou een moeder haar kindje vergeten? Ik vergeet u nooit. Want uw naam staat geschreven in de palm van mijn hand’ (Jes. 49,14 ev.).
‘Wees niet bang!’ Weet je hoe dikwijls die woorden in de Heilige Schrift voorkomen? Iemand heeft het nageteld: precies 365 keer, dus één keer voor iedere dag van het jaar! Elke dag mogen wij ons aan God toevertrouwen. Hij is er altijd bij!.