Waarom ben je zo bang

B-cyclus · Tijd door het jaar · 12e zondag · groen

De schreeuw van Jezus’ leerlingen, midden in de storm, is: “Meester, kan het U niet schelen, dat wij naar de bliksem gaan?” In onze tijd vertaald: Meester, gaat het U niet aan, dat uw kerk het zo slecht maakt? Dat wij zo’n klein groepje geworden zijn, met weinig inbreng in deze wereld?
Meester, doet U het niets, dat de kerken leeglopen, dat de jongeren hebben afge-haakt, en de ouderen geen overtuiging meer hebben? Raakt het U niet, dat overal mensen onder de voet gelopen worden en niet meetellen als mensen; dat er in deze wereld geen recht meer schijnt te zijn? Raakt het U niet, dat onze wereld alleen nog hebzucht kent en weinig liefde? Kan het U niet schelen, dat er smerige oorlogen zijn, die met het bloed van de armsten worden betaald; dat mensen worden verjaagd van hun grond, of sterven van honger en ellende?

Ook vandaag komt Jezus met de opmerking: “Waarom zijn jullie zo bang? Hoe is het mogelijk dat je nog geen geloof bezit?”
En dan dienen wij allerlei klachten in om onze angst te rechtvaardigen. Kinderen kunnen klagen: “Ik hoor bij niemand, niemand kijkt naar mij om.” Pubers kunnen klagen: “Iedereen is tegen mij, dus ben ik tegen hen.” Twintigers kunnen klagen: “Wij krijgen geen werk, we hebben geen toekomst.” Dertigers kunnen klagen: “We zitten zo vast in de structuren van gezin of werk.” Veertigers klagen: “We hebben het allemaal wel gezien.” Vijftigers: “In het arbeidsproces tel je in deze leeftijd niet meer mee. Zestigers: “Wie zijn wij nog, jongeren maken de dienst uit.” Zeventigers denken, maar uiten hun klacht niet: “Van mij hoeft het niet meer. Het is aanklacht op aanklacht, angst op angst.
Wat heeft de Schrift ons vandaag te zeggen?
Boodschap van God aan Job op de mesthoop: “Man, je komt pas kijken. Waar was je toen God de wereld ordende voor het feest van het leven?” Waar waren jullie, toen God de machten in zee wierp, en zijn lieve mensen een levenswet gaf en tot vrijheid riep van kinderen Gods? Waar waren jullie, toen Hij jullie ballingschap ophief en liet gaan naar een nieuwe toekomst? Waar waren jullie, toen Jezus jullie leerde, het met weinig te doen, maar veel te betekenen voor elkaar als broeders en zusters? Waar waren jullie, toen Hij je liet kijken naar het prachtige onkruid op het veld, en de vrije vogels in de lucht? Waar waren jullie, toen Ik jullie wel de zorg opdroeg voor deze wereld, maar je niet toerustte met ondergangsgevoelens.
Ik hoor jullie klachten en verwijten aan mijn adres wel, maar zijn ze goed geadres-seerd? Ben Ik dan geen God van levenden? En zal Ik niet uit de doden opwekken?

Ons beschaamde antwoord is dan misschien wel: we waren nergens, net als nu. We zitten in de boot. En het stormt. En we kunnen er niet tegenop.
Hij moet opnieuw in onze boot opstaan en zeggen: zwijg stil, laat de wind gaan lig-gen.
Zoek even de stilte en de luwte. In de stilte krijgen wij nieuw uitzicht. Zicht op de vele goede mensen, die zich inzetten voor de zaak van het evangelie. De mensen die zich betrokken voelen bij de zaak van Jezus, het kerkgebeuren; de kerk¬gangers, die de kerk gaande houden. Zicht op de mensen, die zich gelovig opstellen, biddend, zingend, actievoerend. Zicht op mensen, die gerechtigheid doen, tegen de zich-rijk-makers in. Zicht op vredesbrengers, op warmhartige barmhartigen, op zuiveren van harte. Zicht op de vervolgden, wier leven niet vergeefs was.
Jezus heeft ze ook voor zich gezien, voordat Hij begon aan zijn veel te zware opdracht. Hij heeft ze zalig geprezen in de acht Zaligsprekingen.
Waarmee we het ook nog kunnen doen, de dag van vandaag.
Waarom dan zo bang, lieve mensen? Als wind en water Hem gehoorzamen, zouden mensen het dan ook kunnen leren? Dwars door de geluidsbarrière heen van angst, die ons soms beklemt en in paniek brengt. Het moet lukken.

Zoeken in Preken Online