Veel mensen vertrekken ‘s avonds naar hun vakantiebestemming in het buitenland. De drukte op de wegen is minder, de kinderen slapen op de achterbank en vóór je het weet, ben je een flink eind van huis. Even lijkt het erop of Jezus met zijn leerlingen ook zoiets wil als hij hun - als de avond begint te vallen - voorstelt: ‘Laten we oversteken. Laten we even uit de drukte weggaan’. Het lijkt of hij even van een rustig boottochtje wil genieten; of hij even een pauze inlast na een hele dag mensen om zich heen; en jawel, even later ligt de meester gewiegd door de golven slapend op de achterbank. Tot zover is het bijna een idyllisch verhaal. Een vakantieverhaal.
Maar je weet het met reizen nooit. Alsof ze op die avond géén ervaren vissers zijn, gaat het onverwachts bij deze oversteek hun krachten te hoven. Alsof ze ineens hun eigen meer van Galilea niet meer kennen, zo gaat het daar op het water plotseling te keer. Wat als een onschuldig uitstapje met hun meester begint, wordt ineens erop of eronder.
Wat is dit voor een tocht, wat is dit voor een storm? Kan dan zoiets onschuldigs als deze oversteek zomaar ineens een uiterste inspanning gaan vergen? Ja, dat kan. En Marcus laat deze gebeurtenis daarvoor model staan. Blijkbaar kan datgene wat ons in ons leven als een doodgewoon uitstapje overkomt, het moment zijn waar ineens een opgave van geloof opdoemt. Blijkbaar is geloof zoiets als een kind dat op je achterbank ligt te slapen. Het telt in je plannen eigenlijk nog niet echt mee. Het is er wel, maar jij redt het wel zonder dat het meedoet. Jij vindt het best zo. Laat maar slapen. Geloven is nu even niet aan de orde.
Maar geloof is blijkbaar altijd aan de orde. Al denken we het op een bepaald moment naast ons neer te kunnen leggen, omdat we genoeg zelfvertrouwen hebben. Het is latent in onze grond aanwezig, als een zaad. Als iets wat zich in ons meldt als het leven ons laat roeien met de riemen die we hebben. Als wij de controle over onze levensreis verliezen.
Maar het vreemde is dat we dan vaak met een soort aanklacht beginnen. Met de bekende aanklacht van Job: ‘Waarom? Waarom overkomt mij dit?’. Of nog sterker: ‘Trekt die God van mij zich eigenlijk wel iets van mijn situatie aan?’. Iets in de trant van de leerlingen in hun boot: ‘Raakt het U niet dat we bezig zijn te vergaan?’. Raakt het God niet, dat wij in ziekte, scheiding, of crisis terechtkomen? Dat is een klacht die je vaak van mensen hoort. God moet zich voor hen bewijzen als het moeilijk wordt. Hun geloof is als een slapend kind dat een akelige droom heeft, en begint te huilen om zijn ouders.
Maar geloof moet verder reiken. Het is dus niet zomaar een simpele oversteek die Jezus hun die avond voorstelt; het is de oversteek van geloof op de achterbank, naar iets wat je eigen is geworden. Het is de oversteek van een geloof dat uit nood geboren wordt, naar vertrouwen dat ons innerlijk op koers houdt als een kompas; als een rustpunt te midden van verontrusting. Eigenlijk zijn we dan pas echt op weg gegaan met Jezus, als we God niet voor elke crisis in ons leven ter verantwoording roepen. Als we ophouden met dat vragen naar het waarom. Dat is wat rabbi Jezus ons vandaag bij die kleine bootreis over het meer bijbrengt.
Terecht dus dat we vandaag ook in het boek Job lezen. Want daar lezen we het-zelfde. Waar bemoei je je mee, Job? God legt geen verantwoording af voor jouw ellende. Het waarom van onze ellende wordt ons niet uitgelegd. God is geen reis-leider die ons het naadje van de kous vertelt. Maar geloof kan groeien. Het kan besef worden, dat God in onze storm is, en in onze stilte: ‘alfa’ en ‘omega’. Het kan een innerlijke kracht worden die ons er doorheen sleept. Jezus was geen reddende engel voor zijn leerlingen. Hij laat hun alleen zien hoe rustig hij blijft bij zulk noodweer. Hij doet hun voor hoe godsvertrouwen alles tot rust kan bren¬gen.
Alleen geloof dat een stuk van onszelf geworden is, kan zo worden. Alleen geloof dat geworteld is in de bodem van onze eigen ervaringen zal ons bewaren voor depressies, angsten en paniek. Want dan is het een innerlijk kompas geworden.
De eerste christenen hebben zich in de vervolging niet staande gehouden omdat ze dit Christusmonogram als teken van Jezus in hun catacomben hadden gekrast. Maar het stond in hun hart gegrift. Het vertelde hun dat ook in het leven van Jezus de storm van het kruis had gewoed en hoe hij de storm had getrotseerd. Mag ons geloof zo’n innerlijk richtsnoer worden, waarheen onze reis ook gaat.