Alle verhalen in het evangelie hebben een dubbele bodem. Er staat altijd meer dan er staat. Wie alleen naar de buitenkant van zo’n verhaal kijkt, mist de boodschap van de binnenkant. Dat geldt ook voor het bekende verhaal over de storm op het meer. Jezus wil met zijn leerlingen per boot naar de overkant, en onderweg dreigen ze te vergaan ten gevolge van een geweldige storm. Maar Jezus bedaart de storm, en ze bereiken veilig de overkant.
De eerste christenen vonden dit een belangrijk verhaal, niet omdat het spannend en eng was, maar omdat het ook over hen ging. Zij hoorden het vertellen door de evangelist Marcus, die het rond het jaar 70 opschreef. Maar ook voor ons, die niet jaren later, maar eeuwen later, over de storm op het meer horen, is het verhaal actueel. Dat merken we zodra we de woorden van Marcus echt proeven, en in de door hem opgeschreven tekst onze eigen ervaringen herkennen.
Het begint al meteen met de eerste zin: “Toen de avond was gevallen, zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Kom, we varen naar de overkant.’” Ook als je niet zou weten dat aan de overkant van het meer de streek van Gerasa ligt, heidens gebied, zitten er toch ’emotionele elementen’ in die woorden verstopt. De avond is gevallen, het is donker, je ziet niet meer zo goed wat er gebeurt, je kunt schrikken van plotselinge geluiden, je bent weg van je vertrouwde omgeving. Je wordt uitgenodigd om naar de overkant te gaan. Wat staat me daar dan te wachten? Wil ik eigenlijk wel weg van mijn eigen plek? Naar de overkant gaan betekent: een stap zetten in het onbekende, iets durven waarvan je de afloop niet kent. Het is zoiets als verhuizen, of een relatie aangaan, of in een nieuwe levensfase komen, of de dood nabij weten.
Dat het op het op Meer van Galilea kon stormen wisten de tijdgenoten van Jezus maar al te goed. Het weer kon er plotseling volledig omslaan. Eerst was het water spiegelglad, en het volgende moment wist je niet meer waar je het zoeken moest. Daarom beschouwden de mensen in de tijd van Jezus de zee als een demon, die als het stormde zijn muil opensperde. Het water opgaan, geen grond meer onder je voeten hebben, overgeleverd zijn aan de macht van de natuur - die ervaring wordt door Marcus beschreven. Zijn verhaal vertolkt de oerangst van de mens. Het is een nachtmerrie over het leven zelf. De angst van de mensen wordt niet alleen veroorzaakt door het geweld van de natuur, maar ook door wat er zich in hun binnenste afspeelt: ongeloof, gebrek aan vertrouwen, blindheid voor de mogelijkheden die er ondanks alles zijn. Deze week stond er in de krant een afbeelding in kleur van een schilderij uit 1891 van de Vlaamse schilder James Ensor, met de titel “Christus bedaart de storm”. Dat schilderij is op het ogenblik te zien in het Fries Museum in Leeuwarden. Op dat schilderij zie je één kolkende massa van geel, groen, blauw, zwart en roze, en in het midden een scheepje dat verloren gaat in die woeste wereld, waarin zee en lucht niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Een indrukwekkende verbeelding van angst: waar moet ik het zoeken?
Het meest opmerkelijke van het verhaal is dat Jezus ligt te slapen op de achtersteven van de boot, met zijn hoofd op het kussen. Althans, zo ervaren de leerlingen Jezus. Het is de ervaring die mensen soms hebben als zij in de diepste duisternis verkeren: Jezus slaapt, God slaapt, het kan God niet schelen dat wij vergaan. Het is een klacht van alle tijden, die we ook tegenkomen in een van de psalmen (44, 24-27): “Word wakker, Heer! Waarom slaapt u? Word toch wakker! Verstoot ons niet voorgoed. Waarom wendt u zich af? Bent u vergeten hoe wij lijden, hoe wij worden onderdrukt? We liggen in het stof, de buik op de grond. Kom ons te hulp, bevrijd ons! We doen een beroep op u, op uw liefde voor ons.” God slaapt, is soms onze ervaring. God doet niets, is soms ons verwijt. Maar zouden we onszelf ook niet de vraag kunnen stellen, of we wel goed zien waar God is. Misschien is hij veel dichterbij dan wij denken. Misschien is hij wel veel wakkerder dan wij vermoeden. God is ons altijd nabij, en niet pas wanneer wij hem erbij roepen. Hij is zo dichtbij ons - als wij ten minste goed kijken en voelen -, dat er temidden van alle angsten toch rust en geborgenheid te vinden is. God kan uit de chaos van de angst orde en leven scheppen. Zo kunnen wij bij God weer troost en veiligheid vinden.
De boot kwam ongeschonden aan de overkant van het meer. Heelhuids bereikten de opvarenden hun doel. Maar de angst zat de leerlingen nog in het lijf. Zouden zij echt begrepen hebben wat er was gebeurd? Zouden zij de boodschap verstaan hebben? Waar je ook heen gaat, door welke angsten je ook heen moet, wat voor toekomst je ook te wachten staat - Jezus vaart met je mee. Soms moet je hem wakker schudden. Maar hoe dan ook, hij zal de storm tot bedaren brengen, als je je aan hem durft over te geven.
Doe je ogen maar open,
dan zul je God zien,
hij houdt de deur voor je open.
En hij zegt:
“Als je je vasthoudt aan mij,
dan zal ik je helpen.
Als je mij roept en vertrouwt,
dan zal ik er zijn.
Ik zal voor je zorgen
zolang als je leeft,
nee, langer nog,
want vrienden van mij
die gaan nooit verloren.”
(Psalm 91 hertaald)