Er is veel lijden in een mensenleven, waarbij je weet: dat heb ik mijzelf op de hals gehaald.Maar er is ook heel wat leed waarbij ik moet denken aan Job, de bijbelse man die alles ontnomen wordt en die voor God gaat staan en dan zegt: Ik ben onschuldig. Waarom overkomt mij dit? Hij is kwaad op God en voelt zich machteloos; het is alsof hij tegen een muur praat. Want God zwijgt in alle talen en de woorden van Job ketsen af als op een rots.
Maar tenslotte verheft de Eeuwige dan toch zijn stem.
Er volgen geen troostende woorden en ook geen verklaring voor wat Job allemaal aan ellende overkomt. Nee, God daagt hem uit: “Ga recht overeind staan jij, en weer je! Want ik ga jou vragen stellen, Job. En Job wordt op zijn plaats gezet.
Ik lees daarin: het heeft niet zoveel zin om het leven, om God of jezelf verwijten te maken.
Wat gebeurt, dat gebeurt. Het is niet anders. Zoek liever troost en kracht in je geloof
om te kunnen dragen wat je overkomt.
Ook Marcus heeft het over angst en geloof. Hij is de tolk van Petrus en later vergezelt hij ook Paulus. Hij schrijft zijn Evangelie aan de jonge kerk in Rome. De christenen daar worden hevig vervolgd door Nero. Ze krijgen zelfs de schuld van de grote stadsbrand van Rome in het jaar 64. Ze moeten vluchten en duiken onder in de catacomben, de ondergrondse begraafplaatsen van de stad. Daar is het nacht, net als in dit Evangelieverhaal. Het spookt er en Jezus is voor hun gevoel nergens te bekennen.
Marcus reikt die mensen daar deze bevrijdingsverhalen aan. Verhalen over uittocht, doortocht, over de duistere afgrond van het water, waar je toch overheen kunt lopen.
Over de oerzee gaat het, die bedwongen wordt. Over angst dus en over geloof.
“Laten we naar de overkant gaan”, staat er zo mooi. De overkant van het meer, dat is onbekend, heidens gebied, onzekere toekomst.
Ook hier onder ons zijn er op deze morgen mensen die die tochten naar de overkant kennen, dat gevoel van angst en onzekerheid: wat staat me te wachten? Het kan stormen in je leven en woelen in je hoofd. Vaak ben je dan nergens meer. Red ons uit chaos, ellende en matheid, zongen we. En inderdaad, het lijkt alsof God slaapt. Hoort Hij je niet roepen in de nacht, vol angst voor de woest kolkende oerzee waar in je dreigt onder te gaan? Waarom moet mij dat overkomen? Waarom ik weer? Waar heb ik dat aan verdiend? Woedend en doodsbang
kun je dan zijn. Raakt het u niet dat we vernietigd worden?
Jezus slaapt schijnbaar, net zoals de Eeuwige lijkt te slapen. Maar Jezus slaapt niet uit onverschilligheid, maar uit het diepe gevoel dat met het woord “geloof” te maken heeft.
Het is hetzelfde geloof als waarmee het volk de doortocht door zee en woestijn maakt.
Het is het geloof, het vertrouwen dat ze in de handen zijn van de Eeuwige, die Bevrijder genoemd wordt. Temidden van al dat dreigende geweld vindt Jezus innerlijke rust en vertrouwen. Dat wil hier gezegd worden. Bij alles wat Hem overkomt blijft Hij overeind,
omdat Hij zich verbonden weet met de Eeuwige. En als ze Hem wakker schudden, dan vraagt Hij: “Waarom ben je bang?” “Ga recht overeind staan en weer je!” Hij verwijt ons niet onze angst, maar dat we bij onze angst niet het vertrouwen hebben om die angst aan te pakken.
Martin Luther King zei eens dat er bij hem thuis een spreuk aan de muur hing: “Angst klopte aan de deur, geloof deed open, er was niemand”. Het gaat om het vertrouwen dat God je ondanks alles vasthoudt. Hij is dragende grond, een rots om op te bouwen. “Ik zal niet vallen uit zijn hand”, zeggen de psalmen.
Maar als die woeste zee nou eens staat voor die grote afgrond, die laatste levensgrens van de dood? De Evangelieverhalen zeggen dat het er ook dan op aankomt innerlijke rust te vinden tegen de angst. En daarvoor zul je nu al je leven moeten verankeren in God en steeds meer leren te slapen temidden van de stormen. Dan zal blijken dat ook de dood uiteindelijk niet onze vijand is, maar de broeder van de slaap en het begin van eeuwigheid.
Franciscus noemt in zijn Zonnelied de dood zelfs: Zuster. Hij heeft een innige band met de Eeuwige. Daarom is voor hem zelfs de dood teder geworden. Ze heeft een meisjesgezicht. Niet meer schrikwekkend, niet gebiedend, niet een man met een zeis. Nee, ze is een zusje geworden, met wie je jarenlang hebt gespeeld. Zúsje dood is zij, en zij hoort gewoon bij jouw leven, is de voltooiing ervan.
Dat is mooi gezegd natuurlijk. Maar toch hebben wij mensen het er vreselijk moeilijk mee
dat ons bestaan zo vluchtig is, dat ons leven eindig is. Wie vandaag nog kerngezond is, kan morgen doodziek zijn. Wie vandaag nog leeft, kan morgen gestorven zijn.
Juist als je ouder wordt, word je steeds meer geconfronteerd met verlies en met eindigheid.
Je moet inleveren op je krachten, je gezicht, je gehoor, je zelfbewustzijn, je identiteit.
En er vallen steeds meer dierbaren om je heen weg. Je moet loslaten wat je lief is. En dat kan vreselijk pijnlijk zijn. Ieder van ons hier maakt dat van nabij mee. Je gaat door een heel proces. Je voelt je verdoofd en verlaten. Je weet het gewoon even niet meer. Flarden boosheid gaan door je gedachten en grote vragen dringen zich op. Je ervaart ineens weer heel hard je breekbaarheid en je kwetsbaarheid.
Ook Jezus deelt in dat eindige sterfelijke bestaan van ons. “In uw handen, Heer, beveel ik mijn leven”, zegt Hij. En vol vertrouwen en in volle overgave sterft Hij.
Natuurlijk zal daar bij Jezus en ook bij Franciscus een heel proces aan zijn voorafgegaan.
Ook zij moeten periodes hebben gekend van grote onzekerheid. Maar daar zijn ze mee vertrouwd geraakt. Ze hebben geleerd om los te laten.
Zo kan verlies je nog wel overkómen, maar het is dan niet meer iets wat je passief ondergaat.
Je kunt leren om actief los te laten wat je verliest. Tot onthechting komen van wat je dierbaar was.“Wie zijn leven verliest, zal het vinden”, zegt Jezus.
Maar dat is wel een heel proces, een lange weg. Als het je lukt om het verliezen, het loslaten zelf tot een levenshouding te maken, dan kan de leegte, die een verlies of gemis achterlaat, uiteindelijk tot nieuwe ruimte voor leven worden. Je geeft je dan niet over aan de dóód, maar aan de Eeuwige.
Ik zie u al denken: “Maar zó groot is mijn geloof niet!” Misschien moeten we zeggen dat we dat geloof, dat vertrouwen, alleen maar sámen, met elkaar, kunnen opbrengen. Dat we hier tegen elkaar zeggen: “Wat jij daar zegt over je geloof in God, dat Hij ons door de duistere nacht zal dragen, over het woeste water naar de onbekende overkant, dat zal ik ook proberen te geloven. En daarom wil ik nu al proberen mijn dagelijkse leven te bergen in Gods hand.
Dan zal het ook bij hoge zeeën en zelfs bij de grens van de dood in God geborgen zijn”.
Wat ons redt en wat ons in vrede doet leven, is dus dag aan dag het stille vertrouwen
in de voortdurende aanwezigheid van de Eeuwige. Voor dat geloof hebben we elkaar nodig.
We zitten samen in de boot en we koersen op elkaars geloof. Daar moeten we het van hebben.
“De ban der duisternis gebroken,
en het werd morgen dag na dag.
Een wereld in het licht gesproken,
een mensheid die beginnen mag”.
Laten we dat geloof uitzingen.
12e zondag door het jaar (2006)
B-cyclus · Tijd door het jaar · 12e zondag · groen