Profeten hebben bij ons een kwalijke naam. Het zijn mensen die het altijd beter weten. Ze zijn daarom vervelend. En misschien is dat terecht. Ze zijn inderdaad vervelend. Ezechiël is ook zo. Hij is niet populair, niet volks al heeft hij alleen maar zorg voor het volk. Maar dat is nu eenmaal hun lot. Zij zinnen op het goede en op het goede alleen. En ze zien ver, ze zien toekomst. Ze zien verder dan hun neus en de neus van de mensen lang is. En dat is niet altijd welkom. Maar zo is de profeet nu eenmaal, zo is hij de man van de hoop.
Nu lezen we vandaag iets over bomen en een berg, over een twijgje en over vogels. Heel poëtisch. Taal die het volk begreep omdat het over hen ging en over terugkeer uit de ballingschap. Bij zoiets past een lied. Hij zegde mooi wat zij zagen en voelden.
Het gaat over een hoge ceder: over een pracht van een boom, over een grote boom. Zo zal Israël zichzelf wel gedroomd hebben. Maar de boom was geveld. En zie, een kleine groep keert terug: een kleine twijg ontspringt op de oude boom. Het leven herbegint. Het volk is weer thuis, het kan herbeginnen. En het zal alsmaar mooier worden. Eens staat de grote boom weer in bloei. En op elke tak zullen vogels zich nestelen. Zo wordt de dorre boom een sappige boom, de boom door Jahweh zelf geplant. Maar het zal niet meer de eerste boom zijn, het zal een andere boom zijn. De boom van leven voor alle vogels, van heinde en verre. Niet meer het pronkstuk in de eigen achtertuin, maar een boom waar iedereen, ieder volk en ieder mens op een bank mag komen zitten. Het zal een boom zijn in een park waarop geschreven staat: vrije toegang voor het publiek.
En wij die zo graag onze deuren sluiten: ons huis, onze tuin, ons klooster, onze vereniging, ons lokaal.
Onze prachtige beuk! Privé-bezitters toch.