Jezus verkondigde dat het Rijk Gods nabij was. Hij wist blijkbaar heel duidelijk wat Hij daarmee bedoelde. En toch vroeg Hij zich af welke vergelijkingen Hij kon vinden om over datzelfde Rijk Gods te spreken. Hij richtte zich tot eenvoudige, meestal ongeletterde mensen. Aan hen was hoge geleerdheid, en zeker godgeleerdheid, niet besteed. De leerlingen kregen daarna meer uitleg.
Maar neem nu eens een ‘geleerd’ evangelist zoals Johannes. Hij zegt dat Jezus de herder is, de wijnstok, het brood, het levende water enzovoort. Ook dat zijn allemaal beelden en vergelijkingen. Blijkbaar moeten niet alleen eenvoudige mensen, maar ook hooggeleerde geesten hun toevlucht nemen tot gelijkenissen. En Jezus zelf ook! Dat ligt aan de werkelijkheid waarover Hij het heeft: het Rijk Gods. Dat komt er niet door wetenschap of techniek. Het is ook geen organisatie, zoals een vakbond of een regering. Op eigen kracht kan de mensheid het niet tot stand brengen. Het komt op ons af, wij krijgen het. Het is het werk van God zelf. En toch komt het ook niet zomaar uit de lucht vallen. Over dat eigenaardige samengaan van God en mens willen de gelijkenissen iets verduidelijken. God gaat immers heel anders te werk dan wij, mensen. Vooral dat ‘anders dan wij’ moeten we voortdurend in de gaten houden. In vergelijking met wat wij nuttig, efficiënt en zinvol vinden, doet God vaak ‘eigen¬zinnig'.
Zo bijvoorbeeld die man die zijn land bezaait. Hij doet zijn werk. Als je bedenkt wat er nog allemaal moet gebeuren voor er oogst kan zijn, dan doet die zaaier slechts heel weinig. Maar dat weinige moet hij dan ook doen, met zorg en toeleg. Voor de groei van de halm en het wassen van het graan kan hij echter niet zelf zorgen, al is net dat het belangrijkste. Hij begrijpt ook niet hoe het allemaal in zijn werk gaat. Hij is echter wijs genoeg om dat aan God over te laten. Voor dat vertrouwen in de groeikracht van het Rijk Gods gebruikt Jezus een sterk beeld: het piepkleine mosterdzaadje groeit uit tot een forse boom.
Natuurlijk weten wij, in vergelijking met Jezus’ tijdgenoten, veel beter hoe planten groeien. Maar daar gaat het niet om. De gelijkenis wil ons gevoelig maken voor Gods manier van werken. Pas als we daar enig besef van hebben, kunnen we met Hem meewerken, of Hem toch op zijn minst niet al te zeer tegenwerken. Dat is wat Jezus wil bereiken: dat zijn toehoorders feeling krijgen voor Gods mysterie en voor zijn eigenzinnige manier van werken, zodat ze gaandeweg beschikbaar worden om met Hem mee te werken.
De gelijkenissen zijn geen raadseltjes. En ook geen zoete verhaaltjes voor simpele mensen. Zelfs geleerden zullen nooit anders dan zo over God kunnen spreken. Het is de enige maaier om iets te ‘snappen’ van dat Rijk Gods. De gelijkenissen geven ons weinig of geen uitleg over God. Ze voeren ons veeleer binnen in God. In Gods eigenzinnigheid, zeg maar.