Het gaat met het Rijk Gods als met heel gewone dingen. Er wordt gezaaid op goed geluk en na enig wachten, of na veel geduld, komen er sprietjes uit de grond. En je denkt: moet dat het nu worden? Na de nodige zon en regen wordt het een heel veld koren of maïs, zo hoog dat de kinderen zich erin kunnen verstoppen. Het is wat geworden.
Het gaat met het Rijk Gods als met een menselijke relatie. Twee heel verschillende mensen vinden elkaar; ze hebben verschillende karaktertrekken; het vloekt wel eens en gaat tekeer, en zoekt zijn eigen plaats te veroveren; het wordt geven en nemen, goede en kwade dagen. En ondertussen groeit de trouw, en kunnen ze elkaar niet meer missen. Hoe het groeit, ze weten niet hoe, maar het is wat geworden.
Het gaat met het Rijk Gods als met een nieuw beweging. Mensen komen bij elkaar, omdat ze geraakt zij door een bepaalde nood in de wereld, zoals het leven in getto’s in Zuid-Afrika of Amerika. Men heeft tegenstrijdige meningen daarover, maar de zin om hoe dan ook te helpen, groeit; men overwint tegenstellingen, verschillende belan¬gen en verschillende kerkvisies. Intussen groeien de contacten, wordt de eenheid groter. En de mensen weten niet hoe, maar het wordt wat.
Het gaat met het Rijk Gods als met de kerk in Nederland. Wij zijn in kampen ver-deeld, met ieder zijn eigen bijeenkomst, waar de anderen niet komen, rechts tegen-over links, basis tegenover top, vrijheid tegenover structuren. En ineens groeit het verlangen om bijeen te komen en niet aan een star eigen standpunt te blijven vasthouden. De wil tot oecumene groeit, niet alleen buiten, maar ook binnen de kerk. Intussen groeit ook de ruimte, die wij elkaar willen geven.
Het gaat met het Rijk Gods als met iemand die gaat sterven: bang, vertwijfeld, onze-ker.
Wanneer komt de dood? Wat is er ná de dood? En intussen groeit het vertrouwen, dat het zaad moet sterven om te kunnen leven. En dat je veilig kunt zijn in de handen van de levende God. Er groeit geloof tegen de verdrukking in, overgave: de mens weet niet hoe.
Het Rijk Gods. Jezus heeft het altijd weer over dat Rijk Gods, dat zich voltrekt in het gewone leven. Het is zaaigoed dat wacht op ontkiemen. Het is klein beginnen, veel te lijden hebben, en toch groeien. De Heer spreekt er optimistisch over. Bij Hem wordt het altijd wat, ook al had je er niet veel van gedacht.
Hij is de Man die zijn land bezaait, er verder niets meer aan kan doen, maar Hij leeft van het vertrouwen dat het wel wat wordt. De Heer zelf is de grote gelovige, die de moed niet opgeeft met ons mensen. Die ons helpt geloven: het wordt wel wat met jou. Het wordt wel wat met ons.
Soms denk ik, dat Hij ons het ‘zelf-doen’, waarmee we als kleuter begonnen zijn, uit de hand neemt. Zoals een moeder haar kind het grote broodmes uit de hand neemt als het daarmee wil spelen. Zou Hij ons zo het ‘plannen en organiseren’ uit de hand nemen, opdat wij meer aandacht krijgen voor het groeiproces dat wij niet ‘in de hand hebben’?
Zou Hij ons dichter bij al die mensen willen brengen die niets in de hand hebben, geen enkele zeggenschap over het verloop van hun leven? Soms horen wij, dat wij ons tot het uiterste moeten inzetten. Maar vandaag horen wij, dat wij ons hebben over te geven aan het groeien, terwijl wij niet weten hoe dat gebeurt.
“Vertrouw je het niet, dan hou je ‘t niet” is een oud Nederlands spreekwoord. Onze voorouders hebben zich aan dat vertrouwen overgegeven, dat Godsvertrouwen, juist in de tijden, dat rampen over ons kwamen. Denk aan de Tweede Wereldoorlog, denk aan de grote watersnood van februari 1953.
Natuurlijk moeten wij alles doen, wat in ons vermogen ligt om mensen uit het donker te halen. Maar mogen we dan ook vertrouwen, dat waar wij vastlopen, er uitkomst is van Hem uit. “God is er óók nog” mag dan wel eens gehoord worden.
Uit héél het leven van Jezus blijkt, dat dit woord waar is, en dat dit woord iemand geworden is.