De meeste lezingen in deze tijd van de Advent zijn bedoeld als voorbereidingen op het verschijnen van Jezus. Ze bieden een serie introducties op Jezus. Dat is te begrijpen. Daar gaat het in zo’n tijd van verwachting ook om. En omdat het Johannes de doper is die Jezus officieel aankondigt en inleidt, gaat het daarbij ook vaak over hem. Ook deze keer is het daarom weer Johannes die naar voren geschoven wordt in een tekst van een andere Johannes. Johannes de doper is niet het licht, maar hij komt wel getuigen van dat licht. Hij is de messias niet, hij is Elia niet. Wie is hij dan wel? Hij is degene over wie Jesaja het had, toen die voorspelde dat er iemand uit de woestijn zou komen om de weg van de messias voor te bereiden.
Als die naam Jesaja valt wordt er heel wat opgeroepen. Als je die naam hoort begint het te gonzen en te galmen van profetieën over armen die een blijde boodschap te horen krijgen, gebroken harten die zullen genezen, gevangenen die vrijgelaten worden, over gerechtigheid die ontluikt, en over een genadejaar dat zal gaan beginnen.
Het is die introductie van Jesaja die Jezus zelf overneemt als hij in zijn woonplaats Nazaret ter verantwoording geroepen wordt (Luc. 4,16vv.). Als hij zich formeel introduceert aan zijn dorpsgenoten en uit wil leggen wie hij is, neemt hij de boekrol met de teksten van de profeet Jesaja. Hij rolt die af tot waar Jesaja over die armen, die gebroken harten, die gevangenen en dat genadejaar spreekt. Maar er staat meer in die tekst dan dat. Het gaat niet alleen over die armen en gevangenen of dat genadejaar. Het gaat volgens Jesaja ook over hemzelf, het gaat over wat er hem zal gebeuren als mens. Het gaat over ons menszijn.
Jesaja voorzegt van hem, dat zijn ziel zich zal verheugen in God, omdat hij gekleed zal worden met het kleed van het heil en omhangen zal worden met de mantel van gerechtigheid, zoals een bruidegom een feestelijke hoofddoek draagt of een bruid haar sieraden.
In Jezus zal het weer duidelijk worden wat het betekent een mens te zijn. In hem zal het weer duidelijk worden waarom God ooit in het begin van ons verhaal bij onze schepping van ons zei, dat de mens tov, dat wil op zijn Hebreeuws zeggen, dat de mens ‘goed’ is. Het wordt in Jezus duidelijk wie we zijn, en waar onze grootheid en glorie in bestaat. In hem wordt ons menszijn geopenbaard.
Het is een thema dat onze personalistisch denkende paus Johannes Paulus II in minder dan zes maanden uitwerkte in zijn eerste encycliek De verlosser van de wereld: ‘In hem wordt op een nieuwe en wonderlijkere manier de oorspronkelijke waarheid voor wat betreft de schepping duidelijk, waarvan het boek Genesis getuigt wanneer het verschillende malen herhaalt: “God zag dat het goed was!”'
De paus is niet alleen wat moeizaam en moeilijk in zijn woordkeus, in de officieel geautoriseerde Engelse vertaling van zijn tekst wordt geen ‘inclusieve’ taal gebruikt. Als hij het over de mens heeft, wordt het woord ‘man’ gebruikt. En hoewel dat wel niet de bedoeling geweest zal zijn wordt de indruk gewekt dat alleen de man mens is.
Zelfs iemand als de oude profeet Jesaja is veel voorzichtiger in zijn woordgebruik, als hij het over het heil heeft van de gehele mensheid. Als Jesaja voorzegt wat de mensheid zal herontdekken in de messias, dan heeft hij het heel uitdrukkelijk over én vrouw én man. Beide geslachten zullen ontdekken omhangen te zijn met de mantel van gerechtigheid en met het kleed van het heil. Hij maakt dat duidelijk door zowel bruid als een bruidegom en hun bruidstooi als voorbeeld te nemen.
Lang voordat de jonge man Jezus Christus als mensenkind zover opgegroeid was dat hij van zichzelf kon zingen: ‘De geest van de Heer rust op mij; daartoe heeft hij mij gezalfd’, is er een jonge vrouw die dat doet. Zijn eigen moeder Maria die datzelfde thema uit Jesaja’s voorzegging op haarzelf toepast. Als zij die oudere vrouw Elisabeth ontmoet breekt zij uit in gezang en zingt: ‘Met heel mijn hart roem ik de heer (…) want grote dingen heeft de machtige met mij gedaan.’ Zij doet dat op dezelfde manier waarop later haar zoon dat zal doen. Zij plaatst het in de context van een rechtvaardige en gerechtigde wereld. Zo moeder, zo kind. Je zult maar op de maat en melodie van dergelijke woorden als baby’s ‘s avonds in slaap gewiegd worden!