In kostbare middeleeuwse handschriften werden de beginletters groot geschreven en rijk versierd. Zij waren prachtig gekleurd en fantasievol geschilderd. De eerste letter was vaak zo hoog als een hele bladzijde.
Iets dergelijks heb je ook in het evangelie van Marcus: Begin van de blijde boodschap, zo begint Marcus plechtig zijn evangelie. Zo geeft hij aan zijn werk een titel, en dan werkt hij die blijde boodschap die Christus bracht in woorden en daden, in zestien hoofdstukken uit.
Marcus beschouwt de komst van Christus als een ommekeer in heel de geschiedenis, als het zichtbare teken dat God voor de wereld zorgt. God zelf heeft dit nieuwe begin gemaakt. Ondanks alle menselijke fouten en alle menselijk falen, zegt God het vertrouwen in de mens niet op. Midden in onze mensengeschiedenis verschijnt de blijde boodschap van het evangelie.
God heeft in zijn liefdevolle zorg voor mens en wereld een begin gemaakt met de schepping; Hij heeft een nieuw begin gemaakt in Jezus Christus; Hij zal alles ook tot voleinding brengen.
Het begin van de blijde boodschap is een troostende boodschap, zoals die ons voorgehouden wordt in de eerste lezing, want op die lezing zinspeelt Johannes de Doper in zijn prediking. ‘Troost u, mijn volk; vreugdebode verkondig het luide: uw God is op komst'.
Wij hebben in onze tijd die boodschap hard nodig. Onze tijd wordt getekend door de angst. Hoe meer de techniek vooruit gaat, des te groter schijnt de angst te worden, angst voor een kernoorlog, angst voor milieuvervuiling, angst voor werkloosheid. ‘Troost u mijn volk’, zegt de profeet. Wat hebben wij in onze tijd meer nodig dan troost? Troost zoeken de mensen in de spreekkamers van psychiaters, troost zoekt de jeugd in alcohol en drugs, troost zoekt men door zich in zijn werk te verliezen. En velen die de troost niet vinden, die ze nodig hebben, vervallen in verbittering en moedeloosheid, in berusting en vereenzaming.
Tegenover al die mensen heeft de Kerk een opdracht, wij zouden dienaren moeten zijn van de vreugde, wij zouden aan al die angstige mensen moeten zeggen: ‘Troost u, de Heer komt!’ Wij leven niet in een godverlaten wereld, en God laat ons niet aan ons lot over, God draagt zorg voor ieder van ons en voor heel de wereld. Wij zijn in goede handen. God laat de wereld niet aan haar lot over, Hij komt zelf om de wereld te redden.
Wij, christenen, hebben in deze wereld de taak om een ‘blijde boodschap’ te zijn. Dat ontbreekt vaak in onze Kerk. De Kerk is altijd in dienst, de Kerk heeft het altijd moeilijk, haar gelaat is door de rimpels van de zorg vertekend als het gezicht van een oude vrouw. Zo kan zij haar ‘vreugdeboodschap’ niet geloofwaardig maken. De Kerk heeft alleen bestaansrecht in deze wereld als zij creatief genoeg is om een boodschap van hoop te verkondigen, als zij eilanden van hoop kan vormen in deze maatschappij, als zij een hoopvol toekomstproject kan uitwerken, zoals zij dat nu doet in Latijns-Amerika.
Maar ook in onze gewesten moet de Kerk - en dan bedoel ik wij - een teken van hoop kunnen worden voor al die mensen die het niet meer zien zitten, die niet meer kunnen geloven in de toekomst. Maar de vreugdeboodschap van hoop vraagt van ons dan ook een echte bekering. Hopen wil zeggen dat wij ons niet tevreden stellen met de gang van zaken in deze wereld, dat wij ons ook daadwerkelijk willen inzetten om een wereld op te bouwen zoals God die droomt. Dat wil zeggen dat wij in deze wereld wegen willen banen van gerechtigheid en solidariteit.
Vertrouwen in de toekomst vraagt van ons dat wij mensen zijn, die bereid zijn te dienen in plaats van te heersen, die eerbiedig willen omgaan met Gods schepping. Vertrouwen in de toekomst is zelf een beetje ‘blijde boodschap’ zijn, en dat wij thuis, op ons werk, in deze wereld een begin maken met de Blijde Boodschap.