In onze gedachten en voorstellingen wordt Jezus in de laatste dagen van zijn leven omringd door een stelletje bandieten; mensen die beter wisten, maar uit eigen baat en waanwijsheid slachtoffers maakten. Zo zijn deze gebeurtenissen afgebeeld in de Middeleeuwen. Boeventronies tussen blanke onschuld. Is dat wel zo? Was het niet de taak van de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten van het volk, Gods naam onder het volk te bewaren en te verdedigen? De hogepriester zegt: “Gij hebt het gehoord, het derde gebod: gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken, wordt hier overtreden.” Hij is inderdaad des doods schuldig. Kon de hogepriester anders?
De Naam, dat is God zelf, zoals Hij zich in Israël openbaart. Die naam moet hooggehouden worden en geëerbiedigd. Priester en wetgeleerden moeten de plaats verdedigen, waar de naam van God als in een soort klankkast steeds weer opnieuw klonk en volume kreeg: de tempel. En het is onverdraaglijk als iemand zegt: “Ik zal deze plaats afbreken en in drie dagen weer opbouwen.”
Het is niet zomaar een proces geweest van doortrapte schurken. Dat is te gemakkelijk. Het is een proces geweest, waarbij de hogepriester niet anders kon zeggen: “Hij is des doods schuldig.”
De hogepriester namelijk kon niet dulden, dat deze Jezus zich schoof tussen de heldere openbaring, die God aan Israël had gegeven in de Schrift en in de tempel. Maar ze verwachtten toch een Messias? Maar dat zou een Messias zijn, helder en transparant, niet deze eenvoudige man uit Nazaret. “Deze man dooft het vuur, dooft de Naam Gods uit en dat mag ik als hogepriester niet dulden. Hij is des doods schuldig.” Ik denk dat de hogepriester nauwelijks anders kon. De menselijke gestalte van Jezus mag de Naam niet verdringen.
De Hoge Raad heeft gelijk, maar ook het grootste ongelijk, want zij ontkennen het recht van God op zijn eigen wijze van openbaring. De Joden van Jezus’ dagen wisten dat de Messias verschijnen zou, maar zeker niet zó op de wijze van Jezus. En daar stoten we op wat altijd de moeilijkheid is van godsdienst en religie en kerken en priesters, namelijk dat God in Jezus zegt: “Ik heb het recht op mijn eigen openbaring.” Kerk en religies kunnen niet vastleggen en zeggen tegen God: “Zo hebt U zich te openbaren en niet anders!” Wat van de hogepriester werd gevergd, was bovenmenselijk; het was: zichzelf op te heffen. En niet alleen zichzelf, waarover een mens nog beslissen kan, maar alles wat hij vertegenwoordigde, de hele traditie, dit is onze geschiedenis, zó hebt Gij U geopenbaard op de grote momenten van Israël. In donder en bliksem, in vuur en rook. En zo zijt Gij met ons meegegaan in onze geschiedenis, het kan dus niet anders.
In Jezus blijkt, dat God zijn eigen openbaring heeft. En dat is wat de hogepriester niet kan begrijpen. Hij verscheurt in een gebaar van veroordeling zijn ambtsklederen. ‘n Profetisch gebaar, want daarmee verscheurt hij zijn waardigheid en zijn gelijk. Een eind verder in het lijdensverhaal wordt verhaald, dat het voorhangsel van de Tempel scheurde bij Jezus’ dood. Bij de veroordeling van Jezus staat Kajafas met ‘n gescheurd gewaad. Bij de dood van Jezus staat de Tempel met gescheurd voorhangsel. Er komt iets nieuws bloot te liggen, nu de oude ban is verbroken. En wat voor openbaring is dat dan? God zegt in Jezus tegen ons allen: “Denk eraan mensen, de openbaring van God in onze wereld gaat nooit meer buiten de mens om.” Jezus is het teken, dat Gods verschijnen onder ons niet meer gebonden is aan macht, niet aan vuur, niet aan kerkgebouwen, niet aan rituelen, maar absoluut gebonden aan de mens, die naast ons leeft, die naast ons werkt, die naast ons lijdt.
God heeft zijn eigen manier van openbaring, geslagen en gekwetst, rijdend op een ezel, gekleed in de mantel van de spot, gemarteld en gedood vanwege menselijke angst en menselijk gelijk. Gekleed in de mantel van solidariteit met alle mensen waar ze ook zijn, hoe ze ook heten. Het kleed van solidariteit met mensen die lijden in deze wereld. Geen koningsmantel, maar het kleed van lijden, van de dood als het moet…