Palmzondag

A-cyclus · Vasten · Palmzondag · rood

Het is een grote stap van Palmzondag naar Pasen. Er is zoveel gebeurd in die tussentijd. En er rijzen zoveel vragen bij ons. Vooreerst: waarom komt een koning zo zachtmoedig naar zijn stad? Dat wordt toch niet voor niets met zoveel nadruk gezegd door Matteüs. En dan de vraag: welke rol heeft God op zich genomen in het lijdensdrama van Jezus? Heeft God er naar gekeken als een onbewogen en machteloze derde? Want het is duidelijk: het lijden van Jezus was volkomen onrechtvaardig, vanaf het verraad door een van de zijnen tot en met de laatste spijker die geslagen werd. Waarom heeft God niet ingegrepen? Waarom heeft God geen antwoord gegeven op Zijn vraag: Vader, laat deze kelk aan mij voorbijgaan? Over deze twee vragen willen wij wat nadenken.

Dat het kenmerk van Jezus zijn zachtmoedigheid was, zoals Matteüs ons zegt, staat buiten kijf. Maar wij moeten dat woord wel goed verstaan. Het heeft niets te maken met weekheid. Want week was Jezus allerminst. Hij kon ondubbelzinnig de zondigheid van de mensen aantonen. Hij kon zelfs de mensen hard de waarheid zeggen. Hij ging nooit een confrontatie uit de weg. Zijn felle botsingen met de farizeeërs bewijzen dat. Hij zegt hun onomwonden dat ze aan anderen zware lasten opleggen, maar er zelf geen vinger naar uitsteken. Hij stelt hun schijnheiligheid aan de kaak, als hij hun zegt dat ze op de hoek van de straat staan te bidden en belust zijn op de eerste plaatsen in de synagoog, doch dat ze van binnen vol ongerechtigheid zijn. Nee, week was hij niet. Maar hij had wel steeds voor ogen dat bekering mogelijk was, en dat het uiteindelijk goed zou komen. Zijn optimisme wat de mens betreft is onuitroeibaar. Daarom kon hij wel de waarheid zeggen, en het kwaad in het hart van de mensen bloot leggen, maar hij bleef van de mensen houden. En deze houding zien wij ook in zijn lijden. Toen hij werd verraden werd hij niet kwaad, maar vroeg hij alleen: vriend zijt ge daarvoor hier? Toen een van de leerlingen naar het zwaard greep zei hij: steek uw zwaard op zijn plaats, want allen die naar het zwaard grijpen zullen door het zwaard omkomen. Toen hem een vals getuigenis werd voorgelegd en men hem vroeg: wat hebt ge hierop te zeggen: toen zweeg hij, maar dat zwijgen was welsprekend genoeg. Toen Petrus hem verloochende, kraaide er een haan, maar Jezus werd niet kwaad. Toen Jezus werd overgeleverd voor een geseling en toen hij gekruisigd werd, zweeg hij. Maar dit zwijgen was een levensgrote aanklacht. En toen hij tenslotte stierf heeft hij geroepen: God, mijn God, waarom hebt Ge mij verlaten? Maar geen woord van veroordeling tegenover zijn beulen, geen woord van kwaadheid tegenover zijn aanklagers, geen woord van teleurstelling tegenover zijn leerlingen die hem allemaal in de steek hadden gelaten. Hij bleef vertrouwen dat alles goed zou komen, hij bleef geloven in het wonder van de bekering.

En misschien moeten we hetzelfde zeggen van God. Dat Hij niet ingegrepen heeft met zijn goddelijke macht, mag ons verwonderen en verbaasd doen staan: het bewijst voor ons duidelijk dat God dezelfde houding heeft als Jezus. Niet met zwavel en vuur de wereld verdelgen, maar met geduld wachten op de bekering. Hij wil niet over ons heersen met macht, maar ons tegemoet komen met zijn verzoenende liefde. De zonde, ook die van ons, roept niet om Gods wraak, maar om Gods vergeving. Dat is de garantie die het lijdensverhaal ons geeft. Daarom heeft God niet geantwoord op de vraag van Jezus: Vader laat deze kelk aan mij voorbijgaan. En zo kwam de koning met zachtmoedigheid naar zijn stad.

God vergeldt geen kwaad met kwaad, maar wil zich steeds met ons verzoenen. Ons kwaad roept niet om vergelding maar om vergeving. Niet dat ons kwaad geen kwaad zou zijn, maar God hoopt altijd in zijn goddelijk optimisme dat wij ons bekeren…

Zoeken in Preken Online