* Jezus wekte in Betanië zijn vriend Lazarus op uit de dood (Joh 11,1-45). Die opwekking was een soort miraculeuse reanimatie, niet de echte verrijzenis. Later zou Lazarus weer moeten sterven.
* Het was wel de sterkste van de drie: De dochter van Jaïrus was pas gestorven. Het lichaam van de jongen van Naïm was nog onder weg. De dode werd dezelfde dag van zijn overlijden begraven. Maar Lazarus was nu al vier dagen in het graf. Bewust had Jezus hiervoor gewacht (11,6.15).
1. Is dat wonder echt gebeurd ? Die vraag mag worden gesteld.
Dit evangelie gaat terug naar de apostel Johannes. Topexegeten zien in Johannes de meest realistische van de vier evangelisten. Hij weet meesterlijk alle détails en bijzonderheden te noteren. Als leerling van Jezus’ keurgroep dient hij zich ook aan als ooggetuige: “Hij die het gezien heeft, getuigt hiervan…” (19,35) en: “Dit is de leerling, die van deze dingen getuigt…” (21,24). In zijn eerste brief: “Wat wij gezien en gehoord hebben verkondigen wij..” (1 Joh 1,3). Hij doet niet zoals Lucas, die in zijn proloog verwijst naar andere getuigen die hij enkel geraadpleegd heeft (Lc 1,2).
-
Johannes vertelt hier geen parabel. Hij gaat gewoon door in de verhaalstijl zoals hij ook de passie zal beschrijven: Naar mate Jezus zich liet kennen als Licht en Leven, steeg zijn succes bij het volk, maar groeide de weerstand van de Joodse hiërarchie tegen Hem. Die dreiging was al duidelijk tijdens het loofhuttenfeest (7,25.32) en liep verder op bij het feest van de tempelwijding (10,32-33).
-
Met de opstanding van Lazarus was de maat vol. Wat in dit evangelie nu na dit topmirakel volgt, wordt zonder de echtheid ervan onverklaarbaar: Daar was het toenemend enthousiasme bij het volk. Bij de zalving van Jezus in Betanië, die erbij aansloot, kwamen heel wat Joden om Jezus maar ook om de opgestane Lazarus te zien (12,9.11). Aanstonds daarna bracht juist zijn wondere terugkeer tot het leven de Hosanna roepende en met palmen wuivende menigte op de been bij Jezus’ intocht in Jeruzalem (12,17). Maar dit teken werd ook de ultieme uitdaging, die de Joodse leiders deed verstarren: ondanks zijn vele tekenen geloofden zij toch niet in Hem (12,37). Zij besloten dan wanhopig om samen met Jezus ook Lazarus weg te ruimen, precies om zo alle bewijsmateriaal te vernietigen (12,10.19). Onder de notabelen was er verdeeldheid; maar uit laffe vrees durfden velen van hen niet de kant van Jezus kiezen (12,42-43). De opwekking van Lazarus was voor Johannes het doorslaggevend signaal dat geleid heeft tot Jezus’ veroordeling en dood.
-
Ontegensprekelijk heeft Jezus nog andere indrukwekkende tekenen gedaan. Het Joodse volk had ze al eerder opgemerkt: “Wanneer de Messias komt, zal hij dan soms meer tekenen doen dat Deze ?” (7,31). “Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen ?” (9,16). Johannes besluit zijn evangelie met: “Nog veel andere tekenen heeft Jezus gedaan… maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven…” (20,31). De werkelijkheid van de opwekking van Lazarus benadrukt paus Benedictus XVI in zijn recent boek “Jezus van Nazaret”. En vorig jaar schreef kard. Danneels in zijn “Pastoralia” (febr. 2007) dat Jezus zonder zijn wonderen niet uitlegbaar is.
2. Dit verhaal is tevens geladen met een zeer rijke symbolische betekenis..
Is Johannes de meest realistische, dan is hij tevens ook de meest spirituele evangelist. Hij vindt geen gebeurtenissen uit om zijn symboliek te staven. Maar hij diept zijn historische herinneringen uit in het licht van Gods Geest. Dit deed Maria ook, waar Lucas schrijft dat zij alle gebeurtenissen in haar hart bewaarde en overwoog bij zichzelf. Op dit soort herinnering is het evangelie volgens Johannes gebouwd. Hij schrijft geen fotoreportages noch klankregistraties, maar hij geeft feiten doordrongen van reflectie. Realiteit en symboliek gaan samen en zijn geen tegengestelden.
-
Zo was voor hem de opwekking van Lazarus de basis voor een dieperliggende boodschap: de voorsmaak en de aanloop naar de alles overstijgende verrijzenis van Christus, centrum van ons geloof. Jezus zegt: “Ik ben de verrijzenis en het Leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij zal in eeuwigheid niet sterven.” Dat woord van zelfopenbaring loopt evenwijdig met: “Ik ben het Licht der wereld” of “Ik ben het Levende Brood”. In de verrijzenis van Jezus zal blijken wie Hij reeds op verborgen wijze was. En Jezus laat verstaan dat wij nu reeds mogen delen in wie Hij ten diepste is, zonder te wachten op de laatste dag.
-
Daarop spreekt Martha de grote geloofsbelijdenis uit, waarrond heel het Johannesevangelie cirkelt: “Ja, Heer, ik ben tot geloof gekomen (Gr. pepisteuka) dat Gij de Christus zijt, de Zoon van God, die in de wereld komt.” Haar geloof is gaandeweg gegroeid door haar blijvende contact met Jezus, net zoals bij Petrus. Van hem mochten we al de gelijkaardige belijdenis horen: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God” (Mt 16,16; Joh 6,69) en een echo ervan komt naar ons op beloken Pasen uit de mond van Thomas: “Mijn Heer en mijn God” (20,28): het orgelpunt van het evangelie. Daarbij sluit Johannes aan met de uiteindelijke opzet van zijn evangelie, het slotakkoord van zijn werk: “Deze tekenen hier zijn opgetekend opdat ge moogt geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt bezitten in zijn naam l” (20,31).