Jezus begon te wenen, en Hij huiverde

A-cyclus · Vasten · 5e zondag van de Vasten · paars

Typisch is dat: Jezus begon te wenen, staat er. En terecht wordt er gezegd: ‘Kon hij, die de ogen van de blindgeborene opende, niet zorgen dat zijn vriend niet stierf?’ Dat is een opmerking die ons uit het hart gegrepen is. Misschien hadden wij het nog wat scherper gezegd: ‘Hoe kan hij nu wenen en huiveren, want als er één is die weet heeft van de verrijzenis, dan is het Jezus wel’. En toch weende hij, en huiverde hij, toen hij bij het graf van zijn vriend kwam. Blijkbaar had Jezus er moeite mee. Zoals hij trouwens ook de grootste moeite had met zijn eigen sterven.

Doodgaan is zoiets levensvreemd. Er is geen enkel verband te leggen tussen de volheid van ons mensenbestaan en onze biologische dood. Een van de akeligste dingen waartegen we in verzet komen is de zinloosheid van het sterven. Als je mee hebt gemaakt dat een jonge vader of een jonge moeder sterft, dan helpt het niet als iemand zegt: God heeft hem naar zich toegeroepen, God had hem of haar nodig. Want dan kun je alleen maar antwoorden: of Gód haar of hem nodig had, weet ik niet. Wél weet ik dat de kinderen hem of haar nodig hadden. En dan kom je in opstand.

Zo valt het te begrijpen dat Jezus begon te wenen en dat hij huiverde bij het graf van zijn vriend. Ook al wist hij dat God hem altijd verhoort, ook als hij zou vragen om Lazarus op te wekken. Blijkbaar heeft dat weten geen invloed op zijn emoties. Blijkbaar heeft dat weten een andere dimensie dan het feit dat Lazarus gestorven is.

Ook wij weten, wij geloven dat wij zullen verrijzen. Maar dit geloof neemt blijkbaar onze stervensangst niet weg. Wij blijven ons verzetten tegen de dood. Omdat de dood in strijd is met ons leven. Levenskracht en creativiteit en liefde zijn zoiets onvergankelijks, dat we een dodelijke ramp van een bekende als louter onzin ervaren.

Er zijn mensen die een doodservaring hebben gehad. Die absoluut zeker weten dat er na de dood iets is. En toch zijn ze bang om te sterven en ze verzetten zich daartegen met hand en tand.

Och, het ligt zo voor de hand. Als je aan een ongeboren baby zou vragen: wil jij geboren worden, wil je uit de schoot van je moeder komen, wil je van het leven genieten, dat ligt aan de andere kant van jouw geboorte, wil jij al die mooie dingen zien: de bloemen, de bomen, het gras, de kleuren, wil jij al die mooie dingen horen: de muziek, de stem van je vader en je moeder, wil jij dat? Dan zal dat ongeboren kind ons zeggen: nee, liever niet. Laat mij maar hier, veilig en warm in de schoot van mijn moeder. Want ik weet wat ik heb, ik weet niet wat ik krijg, ook al verzekeren jullie mij ervan dat het zoiets moois is.

De dood wordt wel eens vergeleken met een nieuwe geboorte. Dan kan ik mij voorstellen dat wij op de vraag of wij dat willen, hetzelfde antwoord geven als die ongeboren baby…

Zoeken in Preken Online