Zien

A-cyclus · Vasten · 4e zondag van de Vasten · roze

Net als het verhaal van de ontmoeting met de Samaritaanse vrouw is ook dat van de blindgeborene door de antieke Kerk als zondagslezing gekozen met het oog op de vorming van de geloofsleerlingen die in de paasnacht gedoopt zouden worden. Het is dus andermaal een catechetisch verhaal, met als cen­trale vraag: wie is Jezus? Na de genezing van de blindgeborene volgt een lange discussie over de identiteit van de genezer. Het genezen van de fysieke blindheid vormt als het ware de aanleiding om duidelijk te mal zen wat er eigenlijk te zien is. Wat, of juister, wie zie je in Jezus? Dat is de echte vraag in dit verhaal.

De blinde kan aanvankelijk alleen maar zeggen dat hij ge­nezen is door de man die Jezus heet. Dat zal altijd het begin­punt van het christelijk geloof blijven: wij hebben het over een zekere Jezus, die destijds al weldoende rondging en ver­kondigde dat het Rijk Gods nabij was. Het christelijk geloof steunt op het verhaal van de man die Jezus heet. Dat is het startpunt. Maar geloven is meer dan een herinnering aan de goede mens Jezus. Geloven heeft op de een of andere manier met God te maken.

Het zijn uitgerekend de Farizeeën die God hier voor het eerst ter sprake brengen, maar dan wel om meteen te zeggen dat die Jezus niet van God komt, om de eenvoudige reden dat Hij de sabbatwetgeving overtreedt en dus een zondaar is. Hij voldoet niet aan hun condities om ‘van God’ te kunnen zijn. Daar heeft het gezond verstand wel een vraagje bij: hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen? Het kan toch niet dat zo iemand zich tegen God keert! Maar hoe Hij dan wel met God te maken heeft, blijft een open vraag.

De genezene gaat een stapje verder: ‘Hij is een profeet.’ Daarmee is een zwaar woord gevallen. Profeten zijn immers niet zomaar ‘van God’, het zijn uitzonderlijke godsmannen, speciaal door God geroepen en gezonden om zijn woord te spreken. In Israël spring je niet lichtzinnig met de naam pro­feet om. De man moet dit meteen ondervinden: hij wordt bui­ten geworpen.

Nu neemt Jezus het initiatief over, met een vraag die nog hoger grijpt: ‘Gelooft u in de Mensenzoon?’ De man weet blijkbaar niet veel van zijn godsdienst. De wenk naar de lezer is intussen duidelijk genoeg: er zijn in de loop van de tijden meerdere profeten gekomen, maar nu gaat het om de finale komst van God zelf in de wereld. De Mensenzoon is immers diegene die komen zal om Gods beloften definitief te voltrek­ken. En dan de laatste stap: als Jezus zegt dat Hij zelf de Men­senzoon is, ‘ziet’ de man eindelijk met wie hij te maken heeft. En hij spreekt de belijdenis uit: ‘Heer, ik geloof.’

Christenen belijden dat de man die Jezus heet, de Christus is, de Messias, de Redder van de wereld. Maar om dat ook echt in Hem te ‘zien’ en om te vatten wat dat allemaal betekent, dient een soms lange weg afgelegd te worden. Ook gelovigen blijven altijd leerlingen in het geloof…

Zoeken in Preken Online