De verhalen van Johannes zijn heel doordachte samenvattingen van wat er met en rond Jezus is gebeurd. Hij moet die verhalen vaak verteld hebben voordat hij ze neerschreef. Bij dat neerschrijven moet hij rekening gehouden hebben met al de reacties die hij bij het steeds weer opnieuw vertellen van zijn verhaal kreeg. Die manier van werken geeft prachtige verhalen. Op den duur weet je precies hoeveel en welke woorden je moet gebruiken. Maar dat economisch woordgebruik maakt dergelijke verslagen wel erg geladen.
In dit verhaal is er de blinde (die we allen zijn!) die heel langzaam de ware identiteit van Jezus ontdekt. Er zijn de anderen die niet eens toe willen geven dat ze blind zijn, en die daarom geleidelijk steeds dieper in het duister raken. Het gaat over het verband tussen zonde, ziekte en lichamelijk gebreken. Het gaat er ook over hoe we als godsdienstige mensen in deze wereld dienen te staan.
Hoe eer je God?
Beroepsheiligen zoals priesters en Farizeeën hebben daar geen moeite mee. Je doet dat op een vlak waar de wereld niet meetelt. Je doet het in de tempel of de synagoge, in je gebed en in de stilte. Je bouwt er aparte gebouwen voor, je ontwikkelt een liturgie liefst in een exclusieve taal, je gebruikt alleen maar dingen die eerst ‘gereinigd’ zijn, en je maakt zelfs de tijd die je aan God en religie besteedt tot een bijzondere en heilige tijd. Je scheidt het heilige af van de wereld, en God van het volk. De wijn die je in je eredienst gebruikt mag niet de gewone tafelwijn zijn, en het brood dat je biddend breekt is ongedesemd als het gewone dagelijkse brood gedesemd is, en gedesemd als het dat normaal niet is.
Temidden van dit alles - zo goed en voor de beroepsheiligen zo voordelig geregeld - staat nu ineens die Jezus die in Gods naam wonderen verricht. Die daarbij zomaar ordinair en onhygiënisch op de grond spuugt, van de aarde en zijn speeksel wat slijk maakt, het over de ogen van een blinde strijkt, en hem dan zegt om zich - op een sabbat! - in de vijver van Siloam te gaan wassen.
Er is nog iets anders dat dit gebeuren een extra betekenis geeft. Jezus zegt, vóór hij dit doet: ‘Wij moeten de werken van degene die mij gezonden heeft verrichten!’ Degene die hem zendt is God zelf, dat is duidelijk uit de hele context. Maar deze ‘gezondene van God’ spreekt over een ‘wij’, ons in dit alles betrekkend. De afstand tussen het heilige en het aardse wordt zo wel danig verkort, door iemand die zegt het licht van de wereld te zijn! De werken van God zijn de werken die hij doet, en die wij geacht worden te doen in deze wereld.
Hier in Amerika wordt in de missionaire kringen waartoe ik zelf behoor, op het ogenblik vaak gesproken over het uur van de leek. Het is vaak juist dan, dat het duidelijk wordt dat er in de kerk iets verkeerd liep.
Zij is een verpleegster in Boston, een goed en trouw lid van een parochiegemeenschap. Ze besluit dat ze eigenlijk eens iets direct zou moeten doen voor het rijk Gods hier op aarde. Ze neemt contact op met een congregatie die mensen overzee uitzendt. Ze wordt getest, toegelaten, en na een jaar van geestelijke en andere voorbereiding vertrekt ze naar Afrika, of Latijns-Amerika. Ze werkt daar in een min of meer klerikaal verband in een ziekenhuis. Ze kan haar contract van twee jaar tweemaal verlengen. Langer kan en mag niet. Ze komt terug in Boston, werkt daar nu weer in de ziekenzorg, maar heeft niet meer het idee dat ze direct aan het rijk Gods aan het werken is. Haar parochie, haar kerk, ziet dat niet zo. En zijzelf ook niet, ondanks haar verlangen om aan dat werk mee te doen.
De klerikalisering van de godsdienst waartegen Jezus reageerde, woekert nog steeds in haar oude vorm door. Met blindheid geslagen, levend in een donker waarin het zelfs moeilijk werken is, gaat zoveel van wat we in deze wereld doen, voorbij aan het koninkrijk: de man die de post rondbrengt, de tiener die de vaat wast in een hotel, de man die een auto repareert, de vriend die een zieke bezoekt, de dokter die heelt, de ambtenaar die de bevolking bijhoudt, ikzelf in wat ik doe of besluit niet te doen.
En Jezus zei tegen Jan en alleman: ‘Wij moeten de werken Gods verrichten’ en hij spuwde op de grond om met wat gewoon straatvuil iemand te helpen zien…