3e zondag in de vasten A (2005)

A-cyclus · Vasten · 3e zondag van de Vasten · paars

De laatste drie zondagen van de vasten
wordt de lezing genomen uit het evangelie van Johannes.
Hij heeft een héél andere manier van schrijven
dan de andere evangelisten.
Als Johannes ons iets wil duidelijk maken,
dan gaat hij eerst een beetje rond de pot draaien.
Hij belicht zijn thema vanuit alle hoeken.
Maar de luisteraars moeten zélf de conclusies trekken.

Eigenlijk hoeven wij vandaag alleen maar te kijken
naar de vrouw en naar Jezus.
Als wij hun woor­den beluisteren,
dan wordt ons duidelijk: die vrouw, dat zijn wij!
Jezus spreekt die woorden voor ons!
Het gaat om ons!

In dit evangelie klinkt voortdurend het woord­je “dorst”.
Geleidelijk aan wordt duidelijk
wat daarmee bedoeld wordt.
De Samaritaanse is het type van de mens,
die, afgesloten van God, overal rusteloos zoekt
naar de vervulling van haar leven.

Vijf man­nen heeft ze al gehad!
Rusteloos wordt ze van de één naar de ánder gedreven.
Telkens lieten ze haar vallen.
Zó vaak kwam zij bedrogen uit.

Ze wist eigenlijk nog niet wie haar échte man zou zijn.
Ze wist nog niet waar ze haar geluk zou vinden.
Ook God was haar nog onbekend.

Nu komt ze haar lege kruik vullen
aan de bron van levend water.
En daar zit Jezus zomaar bij de bron,
vermoeid van de reis…

Hij wacht op de dorstige vrouw.
Ongevraagd zegt Hij: “Geef mij te drinken!”
Hij, een joodse man,
vraagt aan een Samaritaanse vrouw te drinken…
“Dat is ongehoord” zegt de vrouw.
Het is zeker ongehoord dat Gods Zoon
te drinken vraagt aan een zondig mens.

Maar God is dorstig naar de liefde van de mens
en de mens is dorstig naar de gave van God:
“Geef mij van dat water, opdat ik geen dorst meer krijg”.

In de harten van alle mensen
leeft een mateloze dorst naar geluk
en naar vreugde zonder einde.
Deze dorst, die in alle mensen leeft
en waar­over hier bij de bron gesproken wordt,
is de liefde naar God.

Dat wil Jezus aan deze vrouw duidelijk maken.
Uitgaande van de doodgewone dingen van het leven,
maakt Jezus haar ontvankelijk voor de gave van God.
Langzaam maar zeker,
komt de Samaritaanse tot dit geloofsinzicht.
Daar bij die waterput
wordt de Samaritaanse een an­der mens
door de ontmoeting met Jezus.

Ze voelt het precies aan.
Deze man is er een die weet wat er in mensen omgaat:
hoop en twijfel…, domheid en onwetendheid…,
drift en plezier…, rusteloze onzekerheid…
Zij voelt zich heel erg door Jezus aangesproken…
Zij voelt aan dat deze Jezus een man van God is…
Een bron is Hij…
Een bron van leven…

Eerst noemt ze Hem “Jood”.
Dan noemt ze Hem voorzichtig “Meester”, dan “profeet”
en tenslotte vraagt ze of Hij soms de “Messias” is…
Daarop antwoordt Jezus zonder omwegen:
“Dat ben Ik, die met u spreek”.

Zij hoeft niet meer te treuren over haar gebroken verleden.
Zij mag helemaal opnieuw beginnen.
Samen met God, deze keer.
Nu zij ver­zadigd is van levend water,
laat zij haar kruik bij Jezus staan.

Zij die bang was om onder de mensen te komen,
rent nu naar de stad.
Zij vertelt nu aan iedereen die het wil horen
dat zij de Messias heeft gevonden.
Iemand met woorden van leven…!!!
Iemand waarmee je verder kunt…!!!
In plaats van water
heeft ze kracht geput uit de ontmoeting met Jezus,
het levende water!

Goede mensen,
ook wij kunnen “levend water” zijn
voor de mensen om ons heen…
Net zoals Jezus dat was voor de Samaritaanse…

Af en toe mogen wij dit meemaken:
dat mensen die wij ontmoeten “nieuw leven” vinden…
Omdat wij met héél ons hart naar hen luisteren.
Omdat wij ons leven willen delen met hen.

Daarvoor moeten wij geen wonderen doen.
Wie je bent en wat je hebt
en een beetje van je tijd durven delen met anderen,
dat is voldoende.
De rest zal je wel geschonken worden.

Want als wij liefhebben en als wij elkaar leven geven,
dan is de Heer bij ons.
Hij is de bron van levend water.
Wie naar Hem toegaat kan bij Hem troost putten.
En vreugde.
En kracht om dat leven en die vreugde
uit te delen aan de mensen die wij ontmoeten.

Zoeken in Preken Online