Inleiding
‘Mijn ogen zijn steeds op de Heer gericht: Hij zal mijn voeten uit de strik bevrijden.’ Gods ogen zijn blijkbaar altijd op zijn volk gericht, op zijn gelovigen, die dat van Hem verwachten. Er is iets tussen God en ons. Dat is wat wij op zondag vieren. Er is iets tussen God en zijn volk en Hij voorziet ons. Hij voorziet ons met zijn woord, Hij voorziet ons met zijn leven, met het water, het levende water. Hij voorziet ons met zijn brood, het hemelse brood. Wij worden hier op aarde gevolgd door Iemand die niet alleen kijkt maar ook geeft; voedsel geeft, leven geeft, zoals dat past bij mensen die geheel en al van een ander afhankelijk zijn. Dat is het leven, het hemelse leven dat in onze ziel is uitgestort, bij ons heilig doopsel, dat wij nu opnieuw gaan vieren met de wijding en de zegening van het water.
Homilie
Een lang evangelie! Maar die lengte hebben we nodig. Je hebt namelijk
heel wat tijd nodig voordat je overgeschakeld bent van de gewone wijze
van denken, van de menselijke overwegingen, de spontane
waardeschattingen, je gewone waardenhiërarchie, naar die van het
evangelie, naar die van God, die van Jezus, die van het heilig
Sacrament. Dat is een heel andere wereld. Dat anders zijn van de wereld
van Jezus ten opzichte van onze wereld krijgt gestalte in het gesprek
tussen Jezus en die Samaritaanse vrouw. Het heeft iets van een gesprek
tussen twee mensen die elkaar niet kunnen verstaan, die elk een andere
taal spreken. De een heeft het voortdurend over iets anders dan de
ander. Hoewel hier de woorden dezelfde zijn, hebben ze voor ieders
beleving een andere betekenis, daardoor praten Jezus en die vrouw
aanvankelijk volkomen langs elkaar heen.
Daar is bijvoorbeeld
de bron van Jakob. Jezus is daar gaan zitten om uit te rusten; een
vrouw komt daar water putten. De vrouw heeft het erover dat Jezus
helemaal geen water voor haar kán putten, want Hij heeft niet eens een
emmer! Maar Jezus heeft het over een heel andere bron. “Het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend ten eeuwige leven.” Dat is het eerste misverstand.
Jezus vraagt de vrouw te drinken. En dan heeft Hij het ineens over water dat Hij zélf kan geven aan wie erom vragen.“Jezus gaf haar ten antwoord: Als gij enig begrip hadt van de gave Gods
en wist wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken, dan zoudt ge het
aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.”*Twee soorten water, twee soorten drinken, daaraan beantwoorden dan ook twee soorten dorst. Hij antwoordde haar:“Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst, maar wie van het
water drinkt dat Ik hem zal geven krijgt in eeuwigheid geen dorst
meer”, waarop zij reageert: “Heer, geef mij van dat water, zodat ik
geen dorst meer krijg en niet meer hier behoef te komen om te putten.” *
Tenslotte komt ook het eten nog aan bod. Eten en eten is twee. De leerlingen zeggen tot Jezus: “Rabbi, eet toch iets”, waarop Jezus antwoordt: “Ik heb een spijs te eten die gij niet kent.”
Er zijn werkelijk twee werelden. “Mijn spijs is, de wil te doen van Hem, van mijn Vader, die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen.” Daar leef Ik van!
Het
zijn twee golflengten en die moeten bij elkaar gebracht worden. De een
moet worden opgenomen in de ander. Een wereldse, vleselijke,
ik-betrokken, wereld-betrokken wijze van denken moet worden afgebroken
om plaats te maken voor een geestelijke wijze van denken. Een
vergelijking: wanneer er door natuurwetenschappers onderzoek wordt
gedaan op de bodem van de oceaan, is er altijd een oppervlakteschip dat
boven drijft, van waaruit de operatie in de gaten wordt gehouden. De
duikers zijn voorzien van duikerspakken, zuurstofslangen,
zuurstofflessen, en hebben via telefoonlijnen en walkietalkies
verbinding met het schip. Ook hebben ze een kabel waar ze aan kunnen
trekken als ze weer opgehaald willen worden. Nu, daarmee is onze
situatie te vergelijken. Men heeft ons uit de hemel laten zakken op de
aarde, in de tijd. En we zijn hier allemaal aan het zoeken, aan het
schatgraven en we hebben de opdracht meegekregen dat we alleen zulke
schatten moeten verzamelen die we weer mee naar boven kunnen nemen. “Verzamelt
u geen schatten op aarde waar ze door mot en worm vergaan, en waar
dieven inbreken om te stelen, maar verzamelt u schatten in de hemel
waar ze niet door mot of worm vergaan en waar dieven niet inbreken.
Waar uw schat is daar zal ook uw hart zijn” (Mt 6,19-21). Of
bijvoorbeeld een maanlanding. Er is een centrum in Houston, in Amerika,
waar alles in de gaten gehouden wordt en van waaruit voortdurend
aanwijzingen worden gegeven, koerswijzigingen worden gedicteerd,
correcties aangebracht. Zonder dat centrum kunnen die maanlanders nooit
hun doel bereiken.
Nu, zo zijn we hier op aarde. We zijn bezig
een zoektocht te ondernemen naar God toe, naar onze hemelse bestemming,
maar we zijn slechts voorzien van een inferieure wijze van kennen. Een
inferieure, minderwaardige wijze van oriëntatiebepaling. We hebben hulp
nodig, we hebben licht nodig. We hebben God nodig voor een andere
kwaliteit. En die wordt ons gegeven. In ons geweten kunnen wij die
hogere informatie opvangen, als wij tenminste niet te zeer vastzitten
aan de eigen waardenhiërarchie, en denken: ‘het kan niet anders zijn
dan zoals wij het zien.’ Loskomen van onszelf, van onze eigen wil, van
onze eigen waardenschattingen, van ons willen kunnen, van ons moeten en
doen, van onze zorgen, van ons redderen, van ons eigen wereldje, zodat
wij open komen voor de informatie, de kracht, het voedsel, het licht
van die andere wereld, die voortdurend met ons in contact wil treden.
We zijn niet aan onszelf overgeleverd. Hij speelt op onze noden in.
In
iedere eucharistieviering worden die twee werkelijkheden in tekenen bij
elkaar gebracht. Brood en wijn - nadat wij eerst het woord hebben
gehoord - brood en wijn, dat is onze menselijke werkelijkheid, die we
uit handen geven, onze aardse waardeschattingen. Ons gewone aardse
leven wordt naar het altaar gebracht, door de priester naar God
gebracht - opengebroken betekent dat - opdat Hij er zijn leven voor in
de plaats zou stellen, zijn hogere wijsheid, zijn hogere levenskracht.
Dat gebeurt in de consecratie en wordt ons meegedeeld in de heilige
Communie, opdat wij als gewoon aards levende mensen hier, voorzien van
goddelijke kracht, blijven voortleven.
Dat is ons heilig geloof, dat wij uitzingen in het Credo.