3e zondag van de vasten A (2008)

A-cyclus · Vasten · 3e zondag van de Vasten · paars

Inleiding

‘Mijn ogen zijn steeds op de Heer gericht: Hij zal mijn voeten uit de strik bevrijden.’ Gods ogen zijn blijkbaar altijd op zijn volk gericht, op zijn gelovigen, die dat van Hem verwachten. Er is iets tussen God en ons. Dat is wat wij op zondag vieren. Er is iets tussen God en zijn volk en Hij voorziet ons. Hij voorziet ons met zijn woord, Hij voorziet ons met zijn leven, met het water, het levende water. Hij voorziet ons met zijn brood, het hemelse brood. Wij worden hier op aarde gevolgd door Iemand die niet alleen kijkt maar ook geeft; voedsel geeft, leven geeft, zoals dat past bij mensen die geheel en al van een ander afhankelijk zijn. Dat is het leven, het hemelse leven dat in onze ziel is uitgestort, bij ons heilig doopsel, dat wij nu opnieuw gaan vieren met de wijding en de zegening van het water.

Homilie

Een lang evangelie! Maar die lengte hebben we nodig. Je hebt namelijk heel wat tijd nodig voordat je overgeschakeld bent van de gewone wijze van denken, van de menselijke overwegingen, de spontane waardeschattingen, je gewone waardenhiërarchie, naar die van het evangelie, naar die van God, die van Jezus, die van het heilig Sacrament. Dat is een heel andere wereld. Dat anders zijn van de wereld van Jezus ten opzichte van onze wereld krijgt gestalte in het gesprek tussen Jezus en die Samaritaanse vrouw. Het heeft iets van een gesprek tussen twee mensen die elkaar niet kunnen verstaan, die elk een andere taal spreken. De een heeft het voortdurend over iets anders dan de ander. Hoewel hier de woorden dezelfde zijn, hebben ze voor ieders beleving een andere betekenis, daardoor praten Jezus en die vrouw aanvankelijk volkomen langs elkaar heen.

Daar is bijvoorbeeld de bron van Jakob. Jezus is daar gaan zitten om uit te rusten; een vrouw komt daar water putten. De vrouw heeft het erover dat Jezus helemaal geen water voor haar kán putten, want Hij heeft niet eens een emmer! Maar Jezus heeft het over een heel andere bron. “Het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend ten eeuwige leven.” Dat is het eerste misverstand.
Jezus vraagt de vrouw te drinken. En dan heeft Hij het ineens over water dat Hij zélf kan geven aan wie erom vragen.“Jezus gaf haar ten antwoord: Als gij enig begrip hadt van de gave Gods en wist wie het is, die u zegt: Geef Mij te drinken, dan zoudt ge het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven.”*Twee soorten water, twee soorten drinken, daaraan beantwoorden dan ook twee soorten dorst. Hij antwoordde haar:“Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst, maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven krijgt in eeuwigheid geen dorst meer”, waarop zij reageert: “Heer, geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en niet meer hier behoef te komen om te putten.” *
Tenslotte komt ook het eten nog aan bod. Eten en eten is twee. De leerlingen zeggen tot Jezus: “Rabbi, eet toch iets”, waarop Jezus antwoordt: “Ik heb een spijs te eten die gij niet kent.”
Er zijn werkelijk twee werelden. “Mijn spijs is, de wil te doen van Hem, van mijn Vader, die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen.” Daar leef Ik van!

Het zijn twee golflengten en die moeten bij elkaar gebracht worden. De een moet worden opgenomen in de ander. Een wereldse, vleselijke, ik-betrokken, wereld-betrokken wijze van denken moet worden afgebroken om plaats te maken voor een geestelijke wijze van denken. Een vergelijking: wanneer er door natuurwetenschappers onderzoek wordt gedaan op de bodem van de oceaan, is er altijd een oppervlakteschip dat boven drijft, van waaruit de operatie in de gaten wordt gehouden. De duikers zijn voorzien van duikerspakken, zuurstofslangen, zuurstofflessen, en hebben via telefoonlijnen en walkietalkies verbinding met het schip. Ook hebben ze een kabel waar ze aan kunnen trekken als ze weer opgehaald willen worden. Nu, daarmee is onze situatie te vergelijken. Men heeft ons uit de hemel laten zakken op de aarde, in de tijd. En we zijn hier allemaal aan het zoeken, aan het schatgraven en we hebben de opdracht meegekregen dat we alleen zulke schatten moeten verzamelen die we weer mee naar boven kunnen nemen. “Verzamelt u geen schatten op aarde waar ze door mot en worm vergaan, en waar dieven inbreken om te stelen, maar verzamelt u schatten in de hemel waar ze niet door mot of worm vergaan en waar dieven niet inbreken. Waar uw schat is daar zal ook uw hart zijn” (Mt 6,19-21). Of bijvoorbeeld een maanlanding. Er is een centrum in Houston, in Amerika, waar alles in de gaten gehouden wordt en van waaruit voortdurend aanwijzingen worden gegeven, koerswijzigingen worden gedicteerd, correcties aangebracht. Zonder dat centrum kunnen die maanlanders nooit hun doel bereiken.

Nu, zo zijn we hier op aarde. We zijn bezig een zoektocht te ondernemen naar God toe, naar onze hemelse bestemming, maar we zijn slechts voorzien van een inferieure wijze van kennen. Een inferieure, minderwaardige wijze van oriëntatiebepaling. We hebben hulp nodig, we hebben licht nodig. We hebben God nodig voor een andere kwaliteit. En die wordt ons gegeven. In ons geweten kunnen wij die hogere informatie opvangen, als wij tenminste niet te zeer vastzitten aan de eigen waardenhiërarchie, en denken: ‘het kan niet anders zijn dan zoals wij het zien.’ Loskomen van onszelf, van onze eigen wil, van onze eigen waardenschattingen, van ons willen kunnen, van ons moeten en doen, van onze zorgen, van ons redderen, van ons eigen wereldje, zodat wij open komen voor de informatie, de kracht, het voedsel, het licht van die andere wereld, die voortdurend met ons in contact wil treden. We zijn niet aan onszelf overgeleverd. Hij speelt op onze noden in.

In iedere eucharistieviering worden die twee werkelijkheden in tekenen bij elkaar gebracht. Brood en wijn - nadat wij eerst het woord hebben gehoord - brood en wijn, dat is onze menselijke werkelijkheid, die we uit handen geven, onze aardse waardeschattingen. Ons gewone aardse leven wordt naar het altaar gebracht, door de priester naar God gebracht - opengebroken betekent dat - opdat Hij er zijn leven voor in de plaats zou stellen, zijn hogere wijsheid, zijn hogere levenskracht. Dat gebeurt in de consecratie en wordt ons meegedeeld in de heilige Communie, opdat wij als gewoon aards levende mensen hier, voorzien van goddelijke kracht, blijven voortleven.
Dat is ons heilig geloof, dat wij uitzingen in het Credo.

Zoeken in Preken Online