Als je op een brug staat kun je gefascineerd zijn door het water dat onder je langs stroomt. Afhankelijk van het soort rivier en afhankelijk van het seizoen kan het een kolkende vloed zijn die op de pijlers van de brug beukt, dan is het weer een lieflijke stroom door het laagland. Mij fascineert het stromende water omdat het doet denken aan de eeuwigheid, zoals de branding van de zee aan een eeuwige beweging is. Het stromende water van een rivier doet mij denken aan de eeuwig durende beweging die de onze schepping gaande houdt. De schepping is niet een eenmalig gebeuren in het verleden geweest, maar een voortdurende beweging van God uit naar zijn schepping, die ondanks alles nog steeds door Hem bemind wordt.
Staande op de kant, vraag ik me bij mezelf af of ik in mijzelf diezelfde rivier nog voel stromen, of ik die beweging nog ervaar die me verbonden houdt met God zelf. De vastentijd is een tijd om weer terug te keren tot die stroom die God je heeft geschonken, de stroom waarin God Zichzelf aan je schenkt.
De Samaritaanse vrouw die met Jezus in gesprek raakt bij de oeroude put van Jacob, is een aantal keren die ervaring kwijtgeraakt van het stromende water dat herinnert aan de eeuwigheid. Vijf keer om precies te zijn. Teleurstelling op teleurstelling, zoektochten die op niets uitliepen. En nog is steeds haar leven onvervuld. Het is niet toevallig dat Jezus en de vrouw elkaar bij de put van Jacob ontmoeten: de gemeenschappelijke wortel van Joden en Samaritanen. Pas veel later zijn de twee volkeren uit elkaar gegaan. Bij de put van Jacob verstaan zij elkaar. Bij die bron ontmoeten zij elkaar als gelijkwaardige mensen. Bij die put ontstaat een geloofsgesprek waarin de vouw een antwoord ontvangt op haar zoektocht en op haar vragen. De aanvankelijke verontwaardiging van de vrouw op de eenvoudig menselijke toenadering van Jezus - Heeft U wat water voor me - wijst op de afstand tussen de twee als man en vrouw, tussen de twee mensen van twee verschillende geloofsrichtingen die dezelfde voorouders hebben. Wat hebben we met elkaar te maken, wat zouden we voor elkaar kunnen betekenen? Niets toch?
De vrouw herkent snel dat de man met wie zij spreekt een grote mysterie is dan ze kan begrijpen: groter dan voorvader Jacob. Een diepere bron dan zij ooit heeft ontmoet. En als snel zijn de verhoudingen omgedraaid: niet Jezus is de vermoeide, vragende persoon, maar de vrouw vraagt hem water. Jezus nodigt de vrouw uit om kritisch te zijn over haar eigen leven en haar goden te ontmaskeren als afgoden. Hetgeen zij koestert belemmert haar om de werkelijke bron van levend water te openen. Op haar vraag om het levende water, wijst Jezus naar haarzelf. Om de bron in zichzelf te openen die God haar schenkt, moet zij zichzelf losmaken van haar afgoden, om God in Geest en waarheid te aanbidden.
Door deze ontmoeting en dit gesprek wordt de vrouw een geloofsverkondiger. Zij deelt met de inwoners van haar dorp haar ervaring met deze man die voor haar God geopenbaard heeft. Terwijl de leerlingen amper bevatten waar Jezus over spreekt: “Ik ben het levende water, ik heb een spijs die U niet kent!” maakt de vrouw het dorp tot een gastvrije plek waar Jezus een tweetal dagen verblijft en zijn Levend Woord uitzaait.
Wij zijn onderweg naar een hernieuwing van ons doopsel, samen met de geloofsleerlingen die door hun doopsel en vormsel uit diezelfde bron als het ware opnieuw geboren worden. Wat betekent dat voor onszelf: stellen wij ons net zo op als het volk in de eerste lezing in de woestijn dat van God wonderen wil afdwingen, die recht menen te hebben op een voorkeursbehandeling? Als God ons liefheeft, mag onze weg toch geen tocht door de woestijn zijn? God heft echter de woestijn van het menselijk bestaan niet op, maar Hij schenkt in die woestijn de bron van leven. Dat is een groter geluk, omdat we daardoor beseffen hoe groot de liefde is die God de mens betoond heeft. Het is God die de mens die soms zo verhard kan zijn als een steenrots, openbreekt om die mens te maken tot een stroom van levend water, tot een rivier die in beweging komt. Dan wordt die mens tot een rivier die eerst bevroren was en daarna in beweging is gekomen en nooit meer ophoudt. Zo kan het een mens vergaan die God leert kennen, de ware God, de mens die los komt van de beelden die mensen soms van Hem gemaakt hebben. Laten wij ons net als de Samaritaanse vrouw losmaken van alles wat ons belemmert en klein houdt opdat wij die levensbron zelf ervaren waarin God zich aan onszelf openbaart en tot ons spreekt.
Amen.