* Een naamloze Samaritaanse komt water putten aan de historische bron van Jacob, zonder te weten Wie daar haar opwachting maakte. Zij heeft dorst, dorst naar gewoon bronwater. Dieper in haar woekeren haar frustraties: een andere verdrongen dorst naar vijf mannen. Maar veel dieper nog is er een ongekende dorst, die pas in de ontmoeting met die vermoeide Jood klaar zal komen.
1. “Water” draagt in de bijbel een rijke symboliek.
-
Semieten leefden in halfdorre gebieden. Ze zochten stromen op en waterbronnen, levend water, om zich en hun kudden in stand te houden. Water was een teken van leven (bios). Regen was zegen. En zij waren ervan bewust dat dit water een geschenk van God was, die voor hen zorgde.
-
In het Oude Testament, de bijbel die de Joden kenden, werd de bron van levend water ook het beeld van God zelf, die zijn volk zijn leven (zôè) schenkt. Het gaat om een leven van een andere orde: het leven van de Geest. Zo horen we: “Zoals een hert verlangt naar stromend water, zo smacht mijn ziel naar U mijn God die leeft…” (Ps 42,2). En aansluitend: “God is mijn kracht en mijn jubel. Hij is het die mij redt: met vreugde zult gij water putten uit de bronnen van het heil” (Jes 12,3). Maar in tijden van ontrouw horen we Gods klacht: “Mij, de bron van levend water, hebben ze durven verlaten, om gebarsten putten te slaan, die geen water kunnen houden” (Jer 2,13; 17,13).
-
In zijn gesprek met die Samaritaanse vrouw zegt Jezus: “Iedereen die van dit water (putwater) drinkt, krijgt weer dorst; maar wie van het water drinkt dat Ik hem geven zal, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer” (Joh 4,13 ). De zin loopt evenwijdig met deze uit de rede over het levende brood: “Ik ben het levend Brood… Wie van dit Brood eet zal in eeuwigheid leven” (Joh 6,51-52). Deze zelfonthulling van Jezus overstelpte het verzamelde volk op de laatste dag van het Loofhuttenfeest terwijl water over het tempelplein vloeide: “Zo iemand dorst heeft, hij kome tot Mij, en drinke…” (Joh 7,37). Dit sloot aan bij de profetieën: “Op die dag zal er voor de bewoners van Jeruzalem een bron ontspringen… Levende wateren zullen uit Jeruzalem stromen…” (Zak 13,1; 1,8; Ez 47, 1-12; Apok. 22,1). Jezus is de uiteindelijke tempel. Het water uit zijn zijde op het kruis werd daarvan het bevestigend teken (Joh 19,34). De Vader, bron van levend Water, werd transparant in Jezus.
-
Jezus voegde eraan toe: “Van wie gelooft zullen stromen van levend water ook uit zijn binnenste vloeien” (Joh 7,38). In het apocriefe Thomasevangelie lezen we iets dergelijks: “Wie drinkt uit mijn mond, zal worden zoals Ik.” Hetzelfde zei Hij tot dat onthutste vrouwtje: “Het water dat Ik hem geven zal, zal opnieuw een bron in hem worden van water dat opborrelt ten eeuwigen leven.” (Joh 4,14). De stroming die van Jezus uitgaat, de Geest die Hij schenkt, zal zich doorzetten door wie in Hem geloven. Wij die aan Jezus gegeven zijn, worden erin betrokken, worden zelf bron met Hem, en rivier van zijn genade naar anderen toe. Dat water geeft de ware vruchtbaarheid aan de wereld.
2. Door welke dorst, door welke verlangens, zijn wij gedreven?
Onze maatschappij heeft heel veel dorst. Soorten dorst. Ze leeft in een jungle van verlangens. De Roemeens-Franse toneelschrijver Eugène Ionescu schreef in zijn boek “Dieu existe-t-il ?”: “Wij verlangen naar eindeloos veel dingen, maar zodra we ze inderdaad in ons bezit krijgen, voldoen ze ons niet langer en ontdekken we dat ze eigenlijk niet dat waren, waarnaar we eerst hadden uitgezien.” Een teleurstellende leemte blijft open. Dat is de groeigeschiedenis van iedere mens.
-
Onze lagere behoeften melden zich altijd het eerst en het luidst. De verlangens van het lichaam kennen geen uitstel en vragen geen overweging. Dorst, honger, slaap, sensuele voldoening, warmte of verfrissing willen onmiddellijke bevrediging. Er zijn tal van bevliegingen, verliefdheden, ondoordachte impulsen en grillen, banale ontspanningsvormen die je inpalmen tot verslaving en verdoving toe. Op TV zie je hoe massaal de bedwelming is van de vluchtige voldoening, door de passie geëist. Dit soort “bevrediging” maakt nooit tevreden en brengt niet tot vrede. Mensen zijn op de vlucht voor zichzelf. Ze verkiezen de leugen en vermijden de moeilijke zone van hun waarheid.
-
Nooit zal de mens hier totaal bevredigd worden omdat hij in zijn diepste diep onverzadigbaar is. Met Augustinus mocht hij bidden: “Onrustig is mijn hart tot het zijn rust vindt in U, mijn God”. Zijn voorlopige verlangens verbergen de waarheid die bevrijdt. Voor een Franse overweg kan je lezen: “Attention ! Un train peut en cacher un autre”. Pas op ! De eerste trein verbergt mogelijks een tweede. Die tweede bedreigt of bepaalt je leven. Onder die eerste waterdorst van de vrouw met de kruik op haar hoofd leefde onuitgesproken haar ongekende dorst naar het levend Water dat de Messias haar geven zou. Diepere verlangens komen vaak pas na beproeving, overweging of gesprek aan de oppervlakte. Nu liet ze haar kruikje staan. Haar nepinvullingen liet ze achter. Zelf bron geworden ging ze op tocht met nieuwe bagage: de boodschap van Wie het ware water geeft.
* Men kent de mens aan zijn dorst. De mens is waard wat zijn verlangens waard zijn. Daarin openbaart zich het hart van de mens. De veertigdagentijd nodigt ons uit ons hart terug te vinden, het te bevrijden van wat bezwaart en overtollig is. Dat hart van steen mag openbreken voor de invulling van Gods genadegaven, die ons kwetsbaar maken voor de liefde van God en medemens.