“Een jongen van zeventien, zwakbegaafd, wordt door zijn stiefvader gepest, geslagen en verhongerd met medeweten van zijn moeder.” Eén van de nieuwsberichten die deze week in elke huiskamer opgediend werden. Opvallend was de reactie van de buren: “Het zijn onopvallende nette mensen, nooit iets vermoed.” Je zou zo gaan denken: het gaat over de gemiddelde Vlaming.
Stellen wij ons daar geen vragen bij? In wat voor een wereld leven wij en zullen onze kinderen morgen leven? Waar ligt de grens tussen goed en kwaad? Wordt die grens onmerkbaar verlegd, vervaagd, elke dag een beetje zodat niemand het gewaar wordt?
Het moreel aanvoelen is in onze samenleving danig aan het veranderen en wij zijn ons daar niet, of niet voldoende van bewust
Is er nu meer tederheid bij onze jeugd omdat er condoomautomaten beschikbaar zijn?
Is er nu meer huiselijk geluk omdat scheiden sociaal aanvaardbaar geworden is?
Is er nu minder eenzaamheid omdat er zoveel gsm’s zijn?
Is er nu meer rechtvaardigheid omdat er meer blauw naar buiten komt?
Je zult zeggen: vragen naast de kwestie en je hebt gelijk. Het zijn vragen van tweede orde. De grote vraag gaat er aan vooraf, maar die ligt zo ver buiten onze onmiddellijke ervaringswereld. Het is de vraag van die vrouw uit het evangelie: Hoe zit dat, waar kunnen wij God vinden? Och mens, zegt Jezus, het is geen kwestie van hier of in Jerusalem. Het is een kwestie van de gezindheid van het hart. De Vader zoekt mensen die Hem aanbidden in geest en waarheid.
Ik ben het zegt Hij: Die Christus die zich aan de bron midden in de dorpskom heeft neergezet. Hij is het beeld van God die dorst heeft naar mensen, die zo verliefd is op mensen dat hij er zijn eten bij vergeet. Die Christus is het liefdeslied van God. Zolang wij ons verliezen in discussies over geloven en anders geloven, over islam en christendom, zolang wij niet geraakt worden door zijn dorst, zal de grens tussen goed en kwaad vervagen, zal onze wereld verdorren.