Dit verhaal van de Samaritaanse vrouw, zoals andere verhalen bij St. Jan, hebben een dubbele bodem. Dat wil zeggen dat woorden zoals water, put, kruik, dorst, een meervoudige betekenis kunnen hebben en op een speciale manier verwijzen naar een geloofswerkelijkheid.
In elke tijd, in elke cultuur en beschaving hebben wij zulke symbolische woorden.
Wij, die wonen in een land waar het ons eigenlijk aan niets ontbreekt, hebben het vaak moeilijk om de symbolische taal van zulke verhalen te begrijpen. In dit evangelie gaat het niet om dorst naar bronwater, maar om de fundamentele dorst van elk menselijk wezen naar waarheid, naar liefde, naar geluk. Zo komt die arme vrouw, in de verzengende hitte van de middag, met haar lege kruik naar de waterbron. Zij is een typebeeld van dat anderhalf miljoen mensen die nu nog in deze wereld geen drinkbaar water hebben. Bij gebrek aan gezond water sterven elke dag 40.000 kinderen en per jaar 20 miljoen mensen. Het zijn schrikwekkende statistieken die ons duidelijk maken wat water voor het leven betekent.
De Samaritaanse vrouw is tevens een typebeeld van die ontelbare mensen, veraf of dichtbij, die dorsten naar waarheid, liefde en geluk. Al die mensen met hun lege kruiken wijst Johannes de weg naar Jezus: “Indien gij enig begrip zoudt hebben van de gave Gods.” De profeet Amos drukt het zo uit: “Zie de dagen komen, zo luidt de godsspraak van de Heer, dat Ik honger breng in het land, geen honger naar brood, geen dorst naar water, maar honger en dorst om het woord van God te horen. De mensen zullen verkwijnen van dorst omdat zij het woord van God niet kunnen vinden.”
Zo is die vrouw ook het typebeeld van het christendom in onze tijd. In hoever is het nu nog een bron van levend water? Wij houden in het christendom nog zovele tradities in leven die geen levend water meer kunnen schenken aan de mensen van onze tijd. Wij hebben nood aan een levend christendom dat dorst heeft naar het woord van God. “Geef Mij te drinken,” vraagt Jezus ook aan ons. Jezus heeft dorst naar ons geloof. Hij vraagt om openheid voor de gave Gods: “Als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij.” Alle leed bij de christenen begint eigenlijk daar waar wij, die menen alles te hebben, geen dorst meer hebben naar het eeuwige.
De klacht van de profeet geldt ook op onze dagen: “Mijn volk heeft een dubbele misdaad begaan. Zij hebben Mij, de bron van levend water, verlaten en ze hebben zich putten gegraven in de woestijn, die geen water kunnen behouden.” De putten van luxe, comfort, consumptie maken de mensen weer dorstiger naar meer. Ze verzadigen het hart van de mensen niet.
Zie eens hoeveel één echte ontmoeting met Jezus in het leven van een mens veranderen kan. Vol begeestering vroeg die vrouw: “Geef mij van dat water opdat in eeuwigheid ik geen dorst meer krijg.” Zij liet haar waterkruik bij de bron staan en ging aan haar stadsgenoten vertellen wat Jezus haar gezegd had. Zij getuigde van Hem: dat is waarlijk de Redder van de wereld.
Mochten wij in deze eucharistieviering tot een echte ontmoeting met de Heer kunnen komen. Dan kunnen wij onze dorst laven met zijn levend woord en op onze beurt mogen wij dan voor de mensen getuigen: Hij is de enige die ons redden kan…