Jezus op het middaguur met een vrouw aan een waterput. Een woord, een wederwoord, en opnieuw een woord en een wederwoord. Een lang gesprek.
De vrouw kwam water putten. Zij had dorst. Zij sprak over bidden. Zij had dorst naar God. Zij wilde weten waar, op welke plaats, op welke berg het bidden moest. Zij wilde weten of zij in het goede stond, of het goed was wat ze deed, ofwel of ze veranderen moest.
Waarom vroeg ze dat aan Jezus, aan een Joodse man? Wat bewoog haar toch? Wat wilde ze eigenlijk weten? Ze had al zoveel gezocht en nooit gevonden. En ze kwam uit Samaria, waar ze eigen kapelletjes hadden voor hun offers en gebeden. Woonde God daarin? Of woonde Hij alleen in Jeruzalem?
Al vijf keer had ze al deze vragen gesteld en nog nooit had iemand het antwoord gegeven, dat inzicht bracht en uitzicht. En zoals ze nu leefde met nummer zes zou ze het ook niet vinden. Zou hij, de Jodenman, het misschien weten? Zou hij de zevende zijn? Zeven is het getal van de vervulling. Zou hij de vervulling zijn van al haar wensen, het antwoord op al haar vragen?
En hij zei iets dat inderdaad waar was: God is overal te vinden, in de kapel van het Noorden, in de tempel van het Zuiden, op een berg, in een huis, zelfs in je eigen huis. Als je het maar doet oprecht. Hij is op de plaats, waar de mens is.
Dat hadden ze nog nooit gehoord. Dat vonden ze nu plots buiten-gewoon. Eindelijk een antwoord. Het antwoord dat ze zocht. Haar dorst was nu over. Nu wist ze.
En ze ging het overal zeggen. Overal gaf ze zijn adres: dat is de man die bevrijdt, dat is de man die levend water geeft: met zijn woorden kan je leven.
Zo werd zij, de vreemde, missionaris in den vreemde. En Jezus werd de therapeut van mensen.
Genoteerd aan de waterput op het middaguur…