Er is eindeloos gepiekerd over de vraag wat daar op die berg precies gebeurd is. Het is een zeer vreemd voorval. Jezus verandert van gedaante, onderhoudt zich met Mozes en Elia, en vanuit een wolk is een stem te horen, die zegt: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind. Luister naar Hem.’
Wie ietwat bijbelvast is, ziet meteen dat het om een theofa¬nie gaat: de onzichtbare God is toch zichtbaar en hoorbaar aanwezig. Er valt iets te zien en te horen wat rechtstreeks van Hem komt. De drie leerlingen hebben daar op die plek en op dat moment een onverwachte en heel uitzonderlijke ervaring, een godservaring.
Nogmaals, een vreemde episode. Hedendaagse lezers hebben het niet zo voor visioenen, verschijningen en alles wat paranormaal lijkt, al zijn ze er toch erg nieuwsgierig naar. Het is fascinerend en angstaanjagend tegelijk.
Men kan alleszins niet zeggen dat het evangelie dit soort ervaringen stimuleert. De gedaanteverandering is een alleenstaand voorval. Alleen al daarom moet het gerelativeerd worden. Niet met in het achterhoofd: daar zal wel niet veel van aan zijn! maar wel in de zin van: dit moet in relatie gesteld worden met heel Jezus’ optreden. Zijn vertrouwelijk gebed tot de Vader, zijn genezingen en duiveluitdrijvingen, zijn vergeving van zonden, zijn gezaghebbend woord, alles daagt uit tot de vraag: wie is Hij eigenlijk? En het antwoord dat er -hoe aarzelend ook -ten slotte wel moet komen, luidt: dit is de Gezondene naar wie het volk al zo lang uitziet, in Hem is Gods menslievendheid midden onder ons. Hij is het die komen moest. Hij is Gods sprekende stem, naar Hem moeten we luisteren. Dat komt allemaal terug in dit verhaal. Hoe vreemd het dus ook mag lijken, de gedaanteverandering staat in verband met het hele Jezusgebeuren.
Slechts enkele leerlingen hebben het voorrecht dit te mogen meemaken. Voorrecht? God van zeer nabij ervaren, is voor de mens angstaanjagend, levensgevaarlijk zelfs. De drie werpen zich ter aarde, aangegrepen door een hevige vrees. Jezus komt naar hen toe, raakt hen aan en stelt hen gerust. Hij verbiedt hen erover te spreizen ‘voordat de Mensenzoon uit de doden is opgewekt’. Eerst moet Hij nog op een andere berg van gedaante veranderen. Daar zal zijn gelaat niet stralen en zijn kleed zal afgerukt zijn. Allen kunnen Hem dan zien, als ze tenminste niet weggelopen zijn. En dan herkent nagenoeg niemand Hem als de geliefde Zoon in wie God zijn welbehagen heeft. Niemand stelt voor om daar op die berg tenten op te slaan. Ook dat relativeert dit verhaal. Zijn eigenlijke gestalte is die van de Gekruisigde. Het geloof zal ons hoogstwaarschijnlijk geen theofanie opleveren. Wel zal het ons de aanwezigheid van God leren zien in het gelaat van die Gekruisigde…