Ons gaat een licht op, als wij een mens mogen leren kennen zoals hij werkelijk is. Het kan zijn dat wij reeds jarenlang omgang heb¬ben met een mens en dan op een bepaald ogenblik, na een bepaald gesprek, moeten we zeggen: zo heb ik die mens nog nooit leren kennen. Dan straalt de kern van zijn persoonlijkheid door zijn uiterlijke verschijning heen en dan wordt het ons ineens duidelijk wie die persoon eigenlijk is. Die ogenblikken zijn uiterst zeld¬zaam. Het kan gebeuren in een diepgaand gesprek b.v. met moe¬der zaliger, als zij zo ineens van haar leven is beginnen te vertellen, wat ze allemaal heeft meegemaakt en hoe ze door alles heengegroeid is. Dan kun je na zo’n gesprek gezegd hebben: eigenlijk heb ik moeder nu pas begrepen. Nu heb ik de kern van haar persoon¬lijkheid ervaren.
Zoiets moet ook gebeurd zijn met de leerlingen van Jezus, toen zij samen met Hem op de hoge berg waren. Daar zag Jezus er stra¬lend uit, en ineens werd het hun duidelijk: deze Jezus, die zo men¬selijk met ons meegaat langs de stofferige wegen van de wereld, die helemaal mens is met ons, die Jezus is de Zoon van God.
Vanuit een lichtende wolk viel het licht van Jezus over de leerlin¬gen. Petrus is ervan in de wolken. Hij wil die gelukzalige toestand vasthouden: het is goed dat we hier zijn. Petrus droomt van een Jezus hoog op de berg, ver weg van het leed en het lijden van de mensen. Zo zou het moeten zijn. De heerlijkheid van Jezus is voor Petrus zaligheid. Eigenlijk droomde Petrus nog altijd van een Pasen zonder lijden, van een beloofde land zonder woestijn.
Maar toen de leerlingen dan hun ogen opsloegen, zagen ze nie¬mand meer dan Jezus alleen. De eenvoudige Jezus, die afdaalt van de berg, om weer bij de lijdende mensen te zijn. Is het u niet opge¬vallen dat juist de drie leerlingen die Jezus uitgekozen had om bin¬nen te treden in die lichtende wolk, even later ook de getuigen zul¬len zijn als een donkere wolk van angst Jezus omhult in de Olijf¬hof? Tabor en Golgota liggen zo gezien niet ver van elkaar. De lichtende wolk is de leerlingen alleen gegeven opdat zij daarin de kracht zouden vinden om de donkere wolk van het lijden te kun¬nen doorstaan.
In ons leven zijn Tabor-uren ook maar heel zeldzaam. Maar ze zijn er. Het kan niet zijn dat wij een heel leven lang in God zouden kunnen geloven, als wij niet soms even, in het voorbijgaan, Gods heerlijkheid zouden mogen aanschouwen. Dat kan geweest zijn op de dag van onze eerste H. Communie, ons vormsel, ons huwelijk, een uur van intens gebed, een ogenblik dat wij heel duidelijk de kracht van God mochten ondervinden. Ja, er zijn Tabor-uren in ons leven, maar gewoonlijk zijn ze zeldzaam. Ook wij moeten zoals de leerlingen van Jezus de berg van de heerlijkheid afdalen om de berg van het lijden te bestijgen. Iedereen die de lichtende wolk van Gods aanwezigheid in zijn leven beleefd heeft, mag erop rekenen dat de donkere wolk van het lijden hem niet gespaard zal blijven. En als wij hulpeloos en geschrokken op de berg blijven liggen, zal Jezus naar ons toe komen, ons aanraken en oprichten om ons mee te nemen op zijn weg naar Pasen. God is ons niet alleen nabij op de hoogtepunten van ons leven, Hij wil ons ook nabij zijn in de vlakte van het grauwe alledaagse leven. De erva¬ring van de lichtende wolk moet ons de kracht geven ook de alle¬daagse dag met zijn lijden moedig te doorstaan. En zoals het gaat in ons dagelijks leven, zo gaat het ook in het leven van de Kerk.
Eigenlijk dromen wij van een lichtende, een feestelijke Kerk. Maar wij mogen niet vergeten dat de Kerk, evenals Jezus, bekleed is met de pelgrimsmantel van deze wereld, bedekt met het stof van de wegen, en het bloed van het lijden. De echte Kerk van Jezus is een pelgrimerende Kerk, die al het lijden van de mensen mee¬draagt, en het is maar heel even soms, dat haar koninklijke mantel door de scheuren van haar koningsgewaad zichtbaar wordt. Wij moeten niet alleen de Kerk liefhebben, als zij praalt in haar glorie, maar evenzeer als zij moeizaam de weg van het lijden gaat, de weg van elke gewone zondag, met haar beperktheden in de vieringen. Wie de Kerk van de alledaagse dag niet liefheeft, zal de Kerk nooit in haar glorie zien…