Wie mij ziet, ziet de Vader (2008)

A-cyclus · Paastijd · 5e zondag van Pasen · wit

Dit evangelie wordt regelmatig gelezen in een gebedswake of in de liturgie voor een dierbare overledene. “In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen” zegt Jezus. We zien dat als een aanwijzing dat ons leven na de dood doorgaat en dat het op een goede plaats zal zijn waar we terechtkomen.

Jezus’ woorden zijn bemoedigend en geruststellend.

Opvallend vind ik de woorden van Jezus als hij zegt: “Laat uw hart niet verontrust worden”. Immers, ook dikwijls bij andere gelegenheden zegt Jezus: “Vrede zij u, vreest niet, wees niet bang”. Jezus’ woorden hebben een grotere reikwijdte, ze gaan niet slechts over het leven na de dood, maar ze bieden ook houvast voor ons leven hier en nu.

Miljoenen mensen op onze wereld weten niet wat veiligheid en vrede is omdat het in hun land nooit vrede lijkt te worden. Maar ook zijn er miljoenen mensen die in hun hart “ontevreden” zijn, geen vrede vinden met zichzelf, met hun omgeving. Mensen van wie “het hart verontrust is”, zoals Jezus vandaag begint. Mensen die bang zijn, zich krampachtig aan mensen en gebaande paden van het leven vastklampen, die niet los kunnen komen of nieuwe wegen durven gaan.

Mensen zoals Thomas, die bang is Jezus te verliezen als deze spreekt over zijn heengaan; mensen zoals Filippus die bang zijn dat de Vader waar Jezus steeds over spreekt hen ontglipt, dat ze God nooit zullen vinden omdat ze Hem niet begrijpen… zo zijn mensen in onze tijd, ondanks alle zekerheden die de maatschappij hen lijkt te bieden, bang om God en elkaar te verliezen.

Zo velen zijn al teleurgesteld in relaties, zijn al gewond omdat ze meer dan eens in de steek werden gelaten.

Zovelen voelen zich misbruikt en onmachtig, onderdeel van een economisch en politiek systeem waar ze geen vat op hebben.

Zovelen leven met allerlei angsten: angst om voor hun mening uit te komen, angst voor beoordeling, voor confrontatie, voor vernieuwing, voor ontgoocheling, voor verslaving, angst voor de toekomst van onze kinderen, angst om wat we hebben te verliezen.

De oude zekerheden zijn weg, zovelen zijn niet meer zeker van God nadat kerk en wereld zo veranderden, maar wat kregen we in de plaats? Zijn wij de laatsten die nog van Jezus en de Vader hebben gehoord? Waar is God dan? Allemaal vragen en noden die mensen kunnen beklemmen. De te grote welvaart zorgt voor heel wat twijfels en de mens kan meer en meer het verlengen of verkorten van het leven in eigen handen nemen, dat doet vele vragen rijzen. Alles is verzekerd in ons landje, behalve zin en toekomst.

Wij kunnen maar moeilijk aanvaarden dat het leven een zoekende onrust in zich draagt, wij verlangen naar veiligheid en vrede. Wij zouden God nu wel eens willen zien. We wensen dat de hemel even opengaat, al was het maar één ogenblik, zodat wij kunnen zien dat God, in al zijn glorie, er werkelijk is. Dat zou ons overtuigen, denken wij. Maar is dat niet wat kinderlijk? God wil niet bewijzen dat Hij bestaat, Hij wil ons niet verbluffen of op de knieën dwingen tot aanbidding.

“God” dat is de Vader van Jezus, dwz de liefde die ons van binnenuit uitnodigt, en blijft uitnodigen tot wederliefde, en niet dwingt.
Om het juiste beeld van God te ontdekken moeten we telkens opnieuw kijken naar Jezus.

“Wie mij ziet, ziet de Vader” zegt Jezus aan Filippus. Als we merken waar zijn hart naar uit gaat zullen we stilaan ontdekken hoe ons einddoel God er eigenlijk uitziet: belangeloze liefde.

Dat is een zichzelf-gevende liefde, zoals Jezus het ons voordeed. Bezorgd om zieke en gekwetste mensen, bezorgd om mensen die uit de samenleving gestoten worden, bezorgd om kwetsbare kinderen. Hij zit aan tafel met tollenaars en zondaars; is te gast bij Zacheus, neemt het op voor de overspelige vrouw.

Hij moet zijn onbegrensde liefde voor kleine mensen uiteindelijk met de dood bekopen. Ja, in die Jezus zien wij God. In de manier waarop hij leefde, in al wat hij deed, hoe hij met de mensen omging ervaren en zien wij God’s liefde en goedheid.

Ook wij kunnen vandaag God laten zien in de manier waarop wij met elkaar omgaan; in de manier waarop wij omgaan met kleine gekwetste mensen; wij kunnen God laten zien, als we als gemeenschap niet alleen maar toekijken, maar iets doen. We hebben de taak om voor elkander zó te zijn, dat de ander zegt: God is in ons midden; God is thuis bij ons; we zijn in het huis van God.

Zouden we het gedicht van Kurt Marti kunnen verstaan, waarmee ik wil eindigen:

Jullie vragen: wat is verrijzenis van de doden? Ik weet het niet.
Jullie vragen: wanneer is de verrijzenis van de doden? Ik weet het niet.
Jullie vragen: bestaat er een verrijzenis uit de doden? Ik weet het niet.
Jullie vragen: bestaat er geen verrijzenis uit de doden? Ik weet het niet.
Ik weet alleen maar waar jullie niet naar vragen: de verrijzenis van de levenden.
Ik weet alleen maar waartoe Hij ons roept: tot verrijzenis hier en nu.

Deels inspiratie gezocht bij Eric Seidel en Clara Angenent

Zoeken in Preken Online