Het gezegde van vroeger “later in de hemel krijg je het goed” was in het verleden misschien wel ooit een te gemakkelijk zoethoudertje wanneer een mens in een nood verkeerde waar men met wat inspanning iets aan had kunnen doen. Dat was dan zeker misbruik. Maar dat gezegde “later in de hemel krijg je het goed” kan misschien toch niet zo maar van tafel geveegd worden. Het is in bepaalde omstandigheden misschien toch het enige én het juiste antwoord.
Wij zijn tegenwoordig een beetje huiverig geworden om dat woord hemel nog in de mond te nemen. Het verbazingwekkende van de ontdekkingen en uitvindingen in onze tijd beperkt onze horizon zo gemakkelijk tot wat je met eigen ogen ziet en met eigen oren hoort. En bovendien hebben we de hemel ook minder nodig dan vroeger. Want we beschikken over een hoop kennis en middelen om veel ellende uit de wereld te helpen. Daar moeten we dankbaar voor zijn, al is het jammer dat die middelen vaak zo slecht worden aangewend.
Maar naast de nood waar iets aan gedaan kan worden, blijft er nog een onoverzienbare hoeveelheid menselijk leed waarbij wij machteloos moeten toekijken. De dood is er het duidelijkste voorbeeld van. Wij komen allemaal wel eens te staan bij het sterfbed van iemand die ons erg dierbaar is. Durven wij dan bij dat definitieve afscheid in een hemel te geloven? Durven we dat woord dan als troost te gebruiken? Christus deed het in ieder geval wel.
Het evangelie van vandaag is genomen uit de zogenaamde afscheidsrede van Jezus: woorden die Hij sprak op de avond voor zijn dood tijdens het Laatste Avondmaal. Hij wist dat het zijn laatste samenzijn was met zijn vrienden. En dan spreekt Hij heel duidelijk en uitdrukkelijk over de hemel, waar Hij weer met zijn leerlingen herenigd zal zijn: “In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ik ga erheen om u een plaats te bereiden. En als Ik ben heengegaan en een plaats voor u bereid heb, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij.”
De leerlingen hadden er, net als wij, moeite mee. En Filippus vertolkt blijkbaar de vraag die hen allemaal bezighoudt: “Heer, laat ons de Vader zien, dan zijn we tevreden.” Een mens is niet zo gauw tevreden. Ook wij zouden eigenlijk willen zien, voordat we geloven. Maar de volgorde is nu eenmaal: eerst geloven en dan zien.
Het is zeker verstandig je geen al te precieze voorstelling te maken van de hemel. Dat kan niet anders dan pure fantasie zijn. Er bestaat geen plattegrond van het hemels Jeruzalem. Maar dat er een hemel is, en dat het leven pas na de dood zijn voltooiing vindt, dat mogen én moeten we gelovig aanvaarden. Van praktisch belang is dan de vraag: hoe komen we er? Iemand heeft het zo uitgedrukt: “Ik maak mij geen zorgen over de temperatuur in de hel of over de inrichting van de hemel. Van belang is alleen de vraag wat je moet doen om aan de eeuwige straf te ontkomen en de eeuwige vreugde binnen te gaan. Van belang is dus: hoe moet je leven?”
Wat van ons gevraagd wordt is: de zin, het doel van ons menselijk leven niet alleen te zoeken op aarde, onze belangstelling wat verder te laten reiken dan de zichtbare, tastbare werkelijkheid, onze blik te richten op het doel waarvoor wij uiteindelijk bestaan: God. De eerste christenen hadden de bijnaam: mensen van de weg. Die naam geldt ook voor ons: wij zijn mensen onderweg naar God, wij zijn mensen die de weg gaan waarop Christus ons is voorgegaan, met als einddoel (noem het maar gerust zo) de hemel…