Jezus riep zijn leerlingen ‘terwijl Hij onderweg was’. Over dit gegeven gaan wij veel te vlug heen. De eerste leerlingen hadden de bijnaam ‘mensen van de weg’. Dat is kenmerkend.
Als je het evangelie leest, krijg je de indruk dat Jezus eigenlijk nooit thuis was. Hij was altijd onderweg, onderweg werd Hij geboren, als kind is Hij als vluchteling onderweg, onderweg koos Hij zijn leerlingen uit, langs de weg werd Hij gekruisigd en langs de weg stond zijn graf.
Bij het Laatste Avondmaal wil Jezus aan zijn leerlingen het verloop van zijn weg duidelijk maken: ‘Gij weet waar ik heenga en ook de weg is u bekend’, zegt Hij. Het was voor Hem zeker ontmoedigend dat Thomas juist het tegenovergestelde beweerde: ‘Heer, wij weten niet waar Ge heengaat, hoe zouden wij dan de weg kennen?’ Vreemd dat zijn leerlingen de weg nog niet kenden. Zij waren Jezus toch gevolgd, zij hadden alles achtergelaten om met Hem op weg te gaan, zij hadden met Hem het hele land afgereisd en toen op een bepaald ogenblik de meeste mensen Jezus verlieten en Jezus hun de vraag stelde: ‘Wilt ook gij soms weggaan?’ hadden zij beslist om samen met Hem verder te gaan.
Toen Jezus hun zei: ‘Zie, wij gaan naar Jeruzalem’, waren zij Hem gevolgd. De intocht in Jeruzalem was voor hen een triomftocht, die hen deed uitzien naar het ogenblik dat Jezus zijn Rijk zou uitroepen. Maar toen Jezus enkele dagen later, met het kruis beladen, de weg naar Golgota ging, waren zij allemaal verdwenen, men moest een vreemde dwingen om Jezus’ kruis te dragen. Zij hadden immers een heel andere voorstelling van de weg die Jezus zou gaan. Die weg, zo dachten zij, moest naar de troon leiden, zij waren wel bereid links en rechts van die troon te gaan zitten. Maar die weg over het kruis… die kenden zij nog niet.
Daarom is Jezus zo bezorgd om hen de weg van het kruis te doen begrijpen. Nergens spreekt Jezus zo duidelijk over de weg naar de Vader als in dit afscheidsuur. ‘Ik ga heen om u een plaats te bereiden’. Jezus wil hun duidelijk maken dat de weg naar Golgota niet een doodlopende weg is, vanaf het kruis gaat de weg verder naar het huis van zijn Vader.
Schijnbaar hebben wij in ons leven veel wegen te bewandelen, wegen die wij zelf kiezen en wegen die anderen ons doen gaan, wegen van vreugde en wegen van pijn, wegen van licht en wegen van duisternis, wegen die ons vertrouwd zijn en wegen die ons vreemd zijn. In werkelijkheid echter hebben wij maar één weg te gaan: onze persoonlijke levensweg naar de Vader. En die weg wil Jezus voor ons zijn, Hij laat ons niet als wezen achter, Hij gaat ons voor, Hij is onze tochtgenoot. Wij hoeven zelf de weg niet meer te zoeken, wij kunnen opzien naar Jezus en leven zoals Hij ons heeft voorgeleefd. Als wij Jezus als weg volgen, hoeven wij nooit bang te zijn dat wij het doel zullen missen. Wij mogen ons helemaal op Hem verlaten, Hij heeft voor ons reeds een plaats voorbereid in het huis van zijn Vader.
Toeristen zaten in een koets om de mooiste dingen van Londen te bezichtigen. Zij kwamen voorbij een mooi gebouw en ze vroegen aan de koetsier op de bok: ‘Wat is dat voor een gebouw?’ ‘I don’t know’, antwoordde die. Even later reden ze over een brug. ‘Welke brug is dat?’ vroegen ze, weer hetzelfde laconieke antwoord: ‘I don’t know’. Toen kwamen ze voorbij een oude kerk. ‘Mijnheer, welke kerk is dat?’ Weer het antwoord van de koetsier: ‘I don’t know’. Ergerlijk vroegen de toeristen: ‘Maar wat weet je dan wel?’ ‘De weg’, antwoordde de man. Dat was voldoende, hij wist de weg, hij zou hen veilig thuis brengen.
Ook wij hoeven in ons leven niet alles te weten, wij zullen niet alles kunnen verklaren, maar van één zaak mogen wij zeker zijn, en dat mag ons hart geruststellen. Jezus leidt ons, Hij is zelf onze weg, Hij zal ons thuis brengen…