Het is allemaal een beetje plechtig wat er geschreven staat in de Petrusbrief. Kostbaar, uitverkoren, koninklijk, priesterlijk, geestelijk… Gewichtige woorden. Wij zouden al deze titels op ons mogen betrekken omdat wij christenen zijn? Dat is natuurlijk lief van Petrus: hij vereert ons met al deze grote namen. Terwijl wij vandaag met een beetje meer bescheidenheid willen worden vereerd.
Ter informatie: het is duidelijk, dat Petrus onmogelijk deze brief zelf heeft geschreven. Een visser kon deze taal niet hanteren. Eigenlijk stoort ons dat niet zozeer. Het enige wat wij willen onthouden, zijn de titels die hier aan ons worden besteed.
Toen, zovele eeuwen terug, leefden christenen binnen een heidens milieu in verdrukking. Zij waren een minderheid, een min of meer verdachte sekte. Misschien waren het kleine mensen in de pechstrook van het grote verkeer? Een marginale groep, verdrukt en bespot. Christenen waren toen ongeveer niemand-mensen, nul-mensen. Enkel vermeld in de voetnoot van het grote nieuws. Verdacht gemaakt ter wille van hun apartheid. Titelloze mensen. Daarover gaat deze brief. Hoe geef je deze mensen een statuut en motieven om verder te doen? Hoe geef je aan mensen de fierheid terug om te geloven in zichzelf en in de zaak die zij dienen? Dat is de kern van deze grootspraak.
Is dat ook niet een actuele vraag voor ons? Met heimwee of fierheid of teleurstelling kijken wij terug op ons rijke Roomse verleden met stoeten en processies en vele positieve statistieken. Vandaag is dat over. Soms voelen wij ons verloren in de alles overspoelende zogezegd neutrale massacultuur. De statistieken worden intussen minder en minder leiend.
De zaak waar wij over spreken, is minder en minder vanzelfsprekende gespreksstof. De sociale druk werkt niet meer positief in onze richting. Integendeel! Zovele politieke, sociale en ethische debatten verlopen alsof er geen christenen zouden zijn. Wij zijn geen hoofdrolspelers in onze samenleving. Zijn wij dan echt veroordeeld om te geloven, dat wij niets te bieden hebben? Zijn wij dan echt zo gemarginaliseerd, dat wij moeten passen bij gebrek aan troeven? Daartegen verzet zich deze brief: wij zijn mensen die getuigen van een grote belofte. De wereld is niet overgeleverd aan doemdenken, aan spookgedachten van ondergang. Het christendom draagt in zich zaad van hoop en vreugde. Het wil die ook bemiddelen.
De mensen die tegen alle wanhoop in eenvoudig en trouw het goede doen, zijn geen onnozelaars! Zij houden de lamp brandend. Dat is onze roeping. Als zovele mensen zovele klaagliederen zingen, zullen enkele bewuste naïevelingen een lied componeren van -hoop en vrede. Een mooi lied. Wie authentieke muziek wil beluisteren, zal deze melodie met graagte aanhoren. De Petrusbrief leert ons, dat dit geen nonsens is. Het is groot werk.
Christenen weven een gouden draad in het bonte kleed van de mensheid…