Een vreemdeling

A-cyclus · Paastijd · 3e zondag van Pasen · wit

Jeruzalem is niet zomaar een stad. Het is het einddoel van Lucas’ evangelie - van dat reisverhaal - en het vertrekpunt van de Handelingen. Stad van vrede, voorpost van een nieuwe aarde. Daar klopt het hart van het volk; daar ligt het boek open van leven tegen de dood in en door de dood heen; daar krijgt de hoop telkens gestalte in kleine mensen. Jeruzalem is Brussel…: mensen op de bres.
Vlakbij ligt Emmaüs. Was het een zeloten-centrum? Of lag er een Romeins garnizoen? Het is de plek van de georganiseerde wanhoop, van het grijpen naar de wapens, van de capitulatie voor de oude dood, alsnog of al bij voorbaat. Reële teleurstellingen voeren naar Emmaüs, maar ook oeverloze kerkdiscussies: voordat je het weet, ben je ernaar op weg - in Brussel…. De leerlingen dreigen het evangelie uit te lopen.

De leerlingen waren met tweeën. Dat is al heel wat: zo waren ze ooit uitgezonden, twee aan twee. Bovendien had wat gebeurd was, hen niet onberoerd gelaten: ze waren ontredderd en gewond. Dat is een begin.
Maar ze kunnen nog niet echt luisteren of spreken, hun gesprek stelt niets voor. Ze kunnen niet kijken. Ze lijken op weg, maar in feite draaien ze in kringetjes rond, zich vastklampend aan elkaars zelfmedelijden. Zo gaat dat: de dood heerst niet alleen over de doden, maar ook over de levenden. Wie zal het hun kwalijk nemen? Wie neemt teleurgestelde mensen hun verbittering kwalijk, wie verwijt rouwenden hun cynisme, wie ontzegt ontrechten het recht naar de wapens te grijpen?
Maar wie zal hen uitleiden, bevrijden uit hun doodsspiraal? Een derde persoon. Zoals past in Israëls traditie: een vreemdeling.
Wij hadden zo gehoopt…
Dat na mei ‘68 de verbeelding aan de macht zou komen - maar de helden van toen zijn allang ingekapseld. Dat met paus Johannes en bisschoppen als Romero onze kerk een nieuw gezicht zou krijgen - maar bloemen op hun graven zijn het enige dat rest. Dat met de revoltes in Nicaragua en de Filippijnen de wereldhistorie een andere loop zou krijgen - maar zie wat er gebeurt. Zo praten wij. Maar is het ook zo? Of voltrekt zich, in al dat onheil, de geschiedenis van heil? Goed kijken - of kunnen we dat niet meer, hebben we het te druk met onszelf? Misschien loopt hij wel met ons mee, ergens langs de kant, als een vreemde gast, en zien we hem niet.

De Emmaüsgangers zijn onmiskenbaar van het mannelijk geslacht: verwikkeld in gepraat, en met verstrakte gezichten.
Waar zijn de vrouwen gebleven? Die ‘hebben ons in de war gebracht’ met kletspraat over een leeg graf en verschijningen, met verhalen van samen zoeken en huilend-lachend opstaan. Als vanouds wordt naar hen - de eerste getuigen, profeten bij uitstek - niet geluisterd.
Zelfs zij die de vrouwen wel achterna gingen hebben nog veel tekst en uitleg nodig, voordat zij ‘zien’, voordat hun hart ontbrandt.

Jezus plukt niet uit de heilige Schrift her en der argumenten; hij vertelt. Hij bestaat het, zijn levensverhaal te plaatsen in Gods voortgaande verhaal. Hij maakt beide verhalen doorzichtig: het licht is er weer.
De Schrift - héél de Schrift: Thora, profeten, geschriften - gaat open in de mens die was en is als een open boek waarin alle verhalen van val en opstanding samenkomen. Maar misschien mag je dat pas zeggen achteraf, wanneer je zelf bent gevallen en opgestaan, wanneer je de actuele verhalen tot je hebt laten doordringen.

Al wilde Jezus zichzelf op de achtergrond houden (hij moest verder, verdween uit hun midden), tallozen hebben hem herkend onderweg. Hij is gehoord waar de verhalen van uittocht en doortocht weerklonken; waar het onrecht werd aangeklaagd, en de menselijkheid bevorderd; waar wijsheid was, en levenskunst. Hij is gezien, in die spaarzame ogenblikken waarin wij ons bestaan zegenden en ons leven werkelijk deelden. Hij is herkend als de levende, de gids in Gods verhaal met de mensen.

Kerk 1999: Daar lopen twee leerlingen, het Boek onder de arm geklemd, ruziënd over lippen en linten. Daar gaan er twee met het Boek in de hand, geopend op de bladzijde die hun uitkomt. Daar gaan twee gereformeerde leerlingen; ze zingen te hard, en horen niets meer. Daar twee katholieke: zonder het Boek zullen zij brood en beker niet vinden. Daar staan twee hoogkerkelijke mannen: zij hebben het Boek op een standaard gezet, en eren het, maar de wierook slaat op hun ogen. Daar lopen twee rand-kerkelijken, teleurgesteld door zoveel voorbarige glorie, richting Emmaüs, tot Sint-Juttemis.

Wij hebben een vreemdeling nodig om onze vervreemding onder ogen te zien, een dode die ons leven leert. Wij hebben een levend woord nodig, dat ons Boek ontsluit, en onze ogen opent; een spel dat ons uit de droom helpt, en op weg zet naar Jeruzalem. Jezus heeft het druk. ‘Blijf bij ons, want het wordt al avond’…

Zoeken in Preken Online