Mensen van de weg

A-cyclus · Paastijd · 3e zondag van Pasen · wit

De oudste naam die voor de volgelingen van Jezus gebruikt - nog voordat ze christe­nen werden genoemd - is ‘Aanhangers van de Weg’. Christenen waren mensen van de weg.
Dat sluit in onze tijd eigenlijk heel goed aan bij de benaming die we de laatste jaren weer opgenomen hebben voor het christenvolk, nu we hen noemen ‘Gods volk onderweg’.
Mensen, meer van de baan, niet thuis maar onderweg. Mensen hebben zo hun eigen wegen. Verschillend voor iedereen. Maar soms zijn de wegen duidelijk gelijk en hoe­ven we alleen maar een plaatsnaam te noemen om te weten wat er aan de hand is. ‘We gaan naar Scherpenheuvel’ zeggen de mensen en dan hoef je niets te vragen. Die of die is naar Pellenberg of Kortenberg gebracht en je weet wat er aan de hand is. Of iemand in de familie heeft een scheve schaats gereden en is naar Leuven gebracht en je leeft mee met de mensen die dat overkomt. Er hoeft maar een plaatsnaam genoemd te worden en je weet wat er aan de hand is.

Zoiets was Emmaüs in Jezus’ tijd ook. Emmaüs was de plaats van de ondergrondse, van de guerrilla; daar verzamelden zich in het donker van de nacht de mensen die het zwaard op wilden nemen tegen de Romeinen. Zij hadden genoeg van alleen maar praten. “Hij is naar Emmaüs gegaan”, fluisterden de mensen dan in de straten van Jeruzalem. Dat betekende: hij heeft het zwaard opgenomen. Je zult er wel van horen binnenkort!
Zo gingen ook die twee naar Emmaüs. Dat was alleszins begrijpelijk, want ze hadden geleefd in de overtuiging dat er met praten en bidden iets te bereiken viel. Nu waren ze laaiend want hun Heer was gearresteerd. De priesters hadden gekonkeld met de Romeinen. Zo hadden ze hem aan het kruis gekregen. De haat kookte in het hart van die twee. Laait dat vuur hij ons soms ook niet hoog op? Kookt ons hart niet wanneer we horen van het onrecht dat her en der gebeurt in onze wereld, waar mensen de dupe worden van de ongerechtigheid van anderen? Zijn we niet ziedend als er in onze naaste omgeving mensen op een slechte manier behandeld worden en zeggen sommigen zelfs niet: “Voor dergelijke gevallen moesten ze iemand maar levenslang opsluiten?”

Zo zijn die twee onderweg naar Emmaüs. Kokend, kwaad tot in het diepst van hun ziel. Dan komt er iemand hij hen en deze weet met hen weer in gesprek te komen. Aanvankelijk moet er stoom van de ketel bij die twee onderweg, maar gaandeweg wordt het een gesprek over en weer. De woede koelt af en er komt nieuwe vrede over deze mensen, in de nabijheid van die derde. Hun hart kookte van haat toen ze vertrokken, maar later zeiden ze: “Brandde ons hart niet van binnen?” Het was iets anders geworden dan kokende haat. Het was een gevoel voor vrede en gerechtigheid, dat blijkbaar bereikt wordt in gesprek met de ander. En als ze dan in Emmaüs zijn aangekomen, nodigen ze de vreemdeling uit met hen te eten. Op schilderijen en tekeningen waarop dit is afgebeeld, zie je die vrede tussen de drie in de stilte van de avond. De vreemdeling breekt met hen het brood om nog eens duidelijk te maken dat vrede niet wordt bereikt met wapens en met schelden en harde woorden over en weer, maar dat vrede wordt bereikt in het gesprek van hart tot hart, in het breken en delen en desnoods maar de minste te willen zijn. Wanneer ze de vreemdeling niet meer zien, staan ze ogenblikkelijk op en ze laten Emmaüs achter zich, want Emmaüs is de plaats van de nacht. Daar zijn wapens en daar wordt gevochten. Daar worden plannen van geweld gesmeed en daar leeft men van de haat. De leerlingen keren terug naar Jeruzalem, om ondanks alles wat ze hebben meegemaakt toch maar die weg te proberen van praten, van geweldloosheid. De weg van het woord van hart tot hart. En van breken en delen…

Zoeken in Preken Online