Derde zondag van Pasen A (2008)

A-cyclus · Paastijd · 3e zondag van Pasen · wit

Met een bedrukt gezicht bleven ze staan. Het verdriet en de ontgoocheling van de twee leerlingen van Jezus zijn te groot voor woorden, te schrijnend om nog verder te gaan. Het licht in hun ogen is gedoofd. Hoe kan het ook anders, wanneer zo’n onnoembaar leed je treft? De wereld is dan niet meer zoals die was. Alles ademt verlies. Alles spreekt van vervlogen hoop en verloren toekomst. En waar is God? In geen velden of wegen te bekennen. God? Ja, die ken ik. Die er niet is als mensen sterven voor hun tijd. Die zich verbergt in tijden dat het nijpt. Die mensen aan hun lot overlaat. En dan zijn er ook nog die roepen: God is er toch? Jezus leeft, Hij is waarlijk verrezen, we hebben een verschijning van engelen gehad.

Maar wie door het leven is geslagen, wiens leven is geknakt of zelfs gebroken, zal nooit en nooit zo kunnen geloven. Die gaat zijn weg met dichte ogen, zo er nog een weg is. Of die zoekt steun bij iemand die hetzelfde heeft meegemaakt. Kleopas heeft ook steun gezocht bij zijn naamloze tochtgenoot. Samen gaan ze terug, weg van Jeruzalem naar een dorp in de verte. Voor hen geen woord dat redt, geen goedkope troost, geen vrome praat. Dood is dood. Punt. Het houdt een keer op.

Met een bedrukt gezicht blijven ze staan. Wat is dat voor een gesprek dat jullie met elkaar voeren? Opnieuw wordt de herinnering levend aan Jezus. Hij had hun sleur doorbroken, door Hem hadden ze een nieuwe werkelijkheid ontdekt, waarin ruimte was voor vergeving, genezing en liefde. Maar dat alles is op een mislukking uitgelopen. Nu Jezus dood is, hebben ze ook zichzelf verloren. We hadden zo gehoopt dat… Daarin lijken ze op ons en wij herkennen ons in die leerlingen. Een verzuchting van alle tijden: we hadden het ons zo anders voorgesteld…

Zo vertellen ze het hele verhaal. Ze zijn er vol van. Het moet telkens en telkens opnieuw verteld worden. Steeds met andere accenten,. steeds anders belicht. Want zelf kijken ze er steeds anders tegenaan. Het gemis blijft wel, maar toch wordt het verdriet anders, zo zei iemand me eens toen ik vroeg naar een ervaring van diepe pijn en rouw.

Tijdens dat vertellen echter gebeurt er iets. Deze keer is het anders. Het is alsof hun moedeloos verhaal wordt gehoord, hun stem wordt opgevangen en beluisterd. Alleen dat al is weldadig, dat je wordt gehoord, dat er aandacht is, dat de dingen nu eens niet direct worden ingevuld met pasklare antwoorden. Want die zijn er niet en die komen er ook niet. Maar dat je stem wordt gedragen op de adem van het luisterend hart, dat brengt leven.

Nogmaals dezelfde woorden, dezelfde pijn, desillusie, leegte. Deze keer echter vindt hun verhaal weerklank. Er komt antwoord. Niet langer kijken de leerlingen naar de grond, maar ze kijken naar Hem die met hen is gegaan al die tijd. Waar is Hij eigenlijk vandaan gekomen, deze vreemdeling? Hij vertelt de leerlingen ook een verhaal. En het is ook al vele malen verteld, met telkens andere accenten. Van Mozes, aan wie God zijn Naam openbaarde: ‘Ik zal er zijn’, van de uittocht uit het angstland naar nieuwe grond van bestaan onder de voeten, voorzeggingen en beloften ooit gehoord en gesproken bij monde van heilige profeten. Maar dit oude verhaal klinkt als nieuw deze keer. En het verschil zit hem in de verteller. Het verlies en de wanhoop, de vele onbeantwoorde vragen plaatst Hij in een groter geheel. Hoe is dat te verstaan? Wordt hun rouw dan weggepraat?

Neen. Het gesprek is bepaald geen geruststellend gesprek. En nog minder is het een gemakkelijke troost. ‘Onverstandig’, noemt de vreemdeling de twee leerlingen. En daarmee wordt hun vicieuze cirkel onverwacht doorbroken. ‘Traag van hart’, dat wil zeggen: het is de hoogste tijd om een nieuw inzicht te verwerven, opdat het hart mag branden met nieuw en heilig vuur. Met vuur van God, met heilige Geest.

Zo blijkt hun weg toch weer verder te gaan. Hun denkwereld krijgt een nieuwe horizon. Hun weg wordt geen vlucht meer, er is een nieuw gevoel van richting en duiding in hun leven. Als je alleen maar je verdriet voelt, dan is alsof alles mee rouwt. Maar word je begeleid op je weg, dan kan het hart zich openen, dan ontstaat er ruimte: de dood blijkt toch niet het einde van alles. Dit is echter een lang proces, en geen gemakkelijke opgave.

Zo komen ze bij het dorp waar ze eigenlijk heen willen gaan. Het lege huis dat hen daar wacht krijgt een nieuwe bestemming: het wordt een gastvrij oord. En de vreemdeling? Gaandeweg is Hij een vriend geworden, die harten doet branden en opengaan. Een echte reisgezel. Blijf bij ons! Wees onze gast, wees aanwezig, ook in het huis van ons leven!

Wel moet Hij worden uitgenodigd. Zonder uitnodiging zou Hij misschien verder zijn gegaan. En vreemdeling zijn gebleven. Wel heeft Hij geluisterd en werkelijk antwoord gegeven waar je iets aan hebt, maar toch: een onbekende verder. Zulke ontmoetingen hebben we allemaal wel in ons leven. Dat we iemand spreken die naar ons luistert en ons verder helpt, dat we zeggen: moet je eens horen wie ik ontmoet heb! Hij is doorgereisd, maar… waarheen eigenlijk? Onze leegte kan zich gemakkelijk laten vullen met goede raad en nieuwe ideeën. Maar als het niet verder gaat, wordt het niet licht. En zelfs een zinvolle ontmoeting heet: iets interessants. Maar dieper reikt het niet.

De leerlingen hebben in de aanwezigheid van hun tochtgenoot iets opgemerkt dat verder reikt dan oppervlakkige beleefdheid of interessante gesprekken. In hun uitroep ‘blijf bij ons’ klinkt iets door als: ‘U heeft ons ontroerd. Kom eens binnen en zie hoe wij wonen!’ De dag loopt ten einde: beeld van de kwetsbaarheid en eindigheid van ons levenslicht.

Samen gaan ze aan tafel. En vanaf dat moment wordt de gast zelf de gastheer en zijn de rollen omgekeerd. Zoals de vreemdeling binnen mocht komen in het leven van de twee leerlingen, zo worden die nu deelgenoot van het leven van de vreemdeling, die vriend is geworden. Het brood wordt genomen, gezegend, gebroken en gedeeld. Gewoon èn geheimnisvol. Nabij en toch alles overstijgend.

In dit gebaar herkennen ze Jezus, die gestorven was, en die nu levend nabij gekomen is. Dood is niet dood. De punt, eens gezet achter zijn bestaan en achter hun eigen leven, wordt een puntkomma. Maar op het moment dat Hij het meest nabij is, is Hij ook het meest verborgen. Dat is mysterie: ervaren, zien dat Hij leeft, maar Hem toch niet kunnen vasthouden, omdat Hij aan het aardse is ontheven, niet meer aan tijd en ruimte gebonden. Ze aanvaarden dat Hij zó niet meer onder hen is, maar ze weten dát Hij er is. Ik zal er zijn, Ik ben met jullie, alle dagen.

Twee mensen kijken elkaar aan met ogen vol nieuw licht. Ze zijn voor elkaar als nieuw geworden, nieuwe mensen met een nieuwe opdracht: de anderen moeten het weten! Hoe anders is de terugreis in vergelijking met de heenreis. Maar het is evenwel geen gemakkelijke opdracht. Want ze gaan naar mensen van hun eigen ring. Waren ze naar wildvreemden getrokken, dan zou het misschien eenvoudiger zijn. Maar ga eens vertellen aan mensen die je kent, dat je nu nieuw leven hebt ervaren, dat je de Levende zelf hebt ontmoet. Onze bekenden kennen ons maar al te goed: familieleden, medebroeders, collega’s op de zaak, de vaste klanten: probeer ze maar eens duidelijk te maken dat nu alles anders is. Ze zullen zeggen: daar heb je hem weer, ach het gaat wel over, evenals alle vorige keren. Nou weten we het wel, dat nieuwe leven. En dan zijn er nog ons ongeduld, onze wrok, verbroken relaties, onuitgesproken spanningen, niet nagekomen verplichtingen en onvervulde beloften. Kan ik werkelijk zeggen dat ik de Levende heb ontmoet?

Maar de leerlingen in Jeruzalem blijken al op de hoogte: de Heer is werkelijk verrezen. Dat troost: het gaat niet alleen om mijn verhaal, maar ook anderen getuigen op hun manier van nieuw leven. En zo wordt ook mijn geloofsverhaal geplaatst in de context van een groter geheel van vele geloofsverhalen. Zo mogen wij als kerk één van hart en geest zijn: volk van de verrijzenis. Wij geven zijn leven door: luisterend, aanwezig, meegaande voetstappen, tochtgenoot. Niet ieder zal naar ons luisteren en weinigen zullen ons uitnodigen echt binnen te komen. Zelden zal het mogelijk zijn iemand brood ten leven aan te reiken en een gebroken hart werkelijk te genezen. Maar wáár het gebeurt, wordt het licht, breekt het leven door.

Mogen wij in deze viering van Eucharistie, rondom het Woord van de Schrift, rondom de tafel geschaard, ons eigen bestaan toevertrouwen aan Jezus. Dat onze gebrokenheid en alles waarop we geen antwoord hebben, door Hem mag worden genomen, herschapen en gezegend. Dat de Levende zelf zich ontmoeten laat, en wij worden herademd, elkaar nieuw mogen kennen en verstaan. Dat het weer licht en morgen wordt.

Zoeken in Preken Online