Zusters en broeders, hebt ge ook soms van die dagen dat alles zo donker en zwart is dat ge zoudt willen weglopen? Dat ge iets zoudt willen kapot slaan omdat ge u onbegrepen voelt? Dat ge geen licht meer ziet, en ge misschien wel niet meer zoudt willen leven, zoals er tegenwoordig zovelen zijn in dit land, ook in ons eigen Landen? Mensen die zich zodanig door het leven bedrogen voelen dat ze het niet meer aankunnen? Mensen die in zo’n put van verdriet zijn terechtgekomen dat ze er hun eigen graf van maken?
Welnu, over zulke mensen vertelt Lukas ons vandaag in het mooiste verrijzenisverhaal uit de vier evangelies. Het verhaal van de twee volgelingen van Jezus die het niet meer zien zitten. Immers, de man op wie ze al hun hoop hadden gevestigd dat Hij Israël zou verlossen, is als een misdadiger aan het kruis gestorven. Ontreddering, moedeloosheid, onbegrip is hun deel. Hun leven heeft geen zin meer, hun hoop ligt begraven in een graf van teleurstelling Hun rest alleen de wanhoop die ze aan elkaar vertellen. En merkwaardig genoeg ligt precies daarin het begin van hun redding: het feit dus dat ze kunnen en willen spreken over hun verdriet, niet alleen met elkaar, maar zelfs met een vreemdeling die toevallig hun pad kruist.
Zusters en broeders, we kennen dit Emmaüsverhaal, we weten wat er gebeurt, wat er gezegd wordt en hoe het afloopt, maar pas als we er echt op ingaan, vinden we ook de diepere betekenis ervan. En daarom moeten we terug naar het vertrekpunt: het verdriet dus , de ontgoocheling en de wanhoop. Wat Lukas ons wil aantonen, is dat er voor een christen uit elke diepte van ellende een weg terug is.
Vooreerst geeft hij ons een heel praktische, puur menselijke raad: sluit je niet op in je verdriet, krop het niet op tot het een blok lood wordt dat zwaarder is dan jezelf en dat je de dieperik insleurt, maar gooi het eruit. Dat verlicht, dat maakt vrij. En vervolgens geeft hij drie vingerwijzingen. Vooreerst: heb je naaste lief, ook in de momenten waarin je het zelf moeilijk hebt. Hoe bevrijdend dit is, wordt hier op sublieme wijze aangetoond: namelijk, als die twee mannen Jezus niet als hun gezel hadden aanvaard, en als ze niet ook gastvrij waren geweest, hadden ze Hem nooit herkend, en was hun leven één doffe ellende gebleven. De vingerwijzing naar ons toe is duidelijk: wees gastvrij, sta open voor de vreemdeling, wees ontvankelijk voor wie en wat je niet kent en voor wie en wat je niet begrijpt, want achter elke ontmoeting gaat God schuil, God die immers de schepper is van al het bestaande. En heb je naaste lief, niet enkel met je hart, maar ook metterdaad. Zet je geloof, je overtuiging, je liefde om in daden van menselijkheid, van breken en delen met elkaar, met je naaste kortbij en met je naaste veraf, of met hem die toevallig je naaste wordt. Zoals Jezus toevallig de naaste werd van de Emmaüsgangers. Jezus, die hun hart deed branden toen Hij hun de Schriften ontsloot.
En hier ligt meteen de tweede vingerwijzing: ken het woord van God, luister hoe Hij door zijn profeten en vooral door Jezus tot ons spreekt, en geloof, want die woorden zijn leven. Een leven dat veel meer is dan rijk van buiten maar arm van binnen, een leven dat zozeer de moeite waard is om geleefd te worden, dat het eeuwig wordt in God. Zusters en broeders, voelen wij ons echt aangesproken, gepakt zelfs als we Gods woord horen? Brandt ook ons hart als we luisteren naar zijn stem? Geloven we echt, of is het maar zo, zo? En zijn we trouw aan onze zondagsviering?
Want de eucharistie, dat is de derde vingerwijzing van Lukas. Het hart van de Emmaüsgangers brandt bij het horen van de H. Schrift, maar toch herkennen ze Jezus pas bij het breken van het brood. En ook dat geldt voor ons: de verrezen Heer ontmoeten we bij uitstek in het herdenken en het vieren van de avond waarop Hij zei: Dit is mijn Lichaam; dit is mijn Bloed. Doe dit tot mijn gedachtenis, want dit, mijn Lichaam, mijn Bloed, dit ben Ik.
Dat is wat de evangelist ons doorheen dit prachtige verrijzenisverhaal heeft willen meegeven: dat we de verrezen Heer alleen maar kunnen ontmoeten als we onze naaste liefhebben, als we luisteren naar het woord van God en geloven, en als we eucharistie vieren.
Zusters en broeders, laat dit de peilers zijn waarop ons christen-zijn steunt. Dat ook wij vanuit de diepte van ons hart vol vertrouwen kunnen zeggen: Blijf bij mij, Heer, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde. Laat deze vraag ons levensmotto zijn, in goede, en vooral ook in kwade dagen. En laten ook wij, door ons geloof in Gods woord, door onze naastenliefde en door de eucharistie de verrezen Heer in ons leven gestalte geven, en zo dit leven tot eeuwig leven voeren. Amen.