De leerlingen van Emmaüs zijn mensen van alle tijden, mensen die de kerkdeur achter zich laten dichtvallen en de weg opgaan naar Emmaüs, ontmoedigd, teleurgesteld, ontgoocheld, soms met rancune, soms met verdriet, soms heel onverschillig.
De weg naar Emmaüs verwijdert hen steeds verder van Jeruzalem. Hoe langer op weg, hoe verder van het kerkgebeuren. Het weekend is immers druk genoeg. Er is zoveel te beleven en we leven toch maar één keer.
En dan gebeurt het dat zij in de draai van de gebeurtenissen een vreemde man ontmoeten. Misschien die vreemde man uit Polen, ziek en versleten, nauwelijks in staat om enkele gebaren te maken of enkele geluiden uit te stoten. En juist dat geeft hen een andere kijk op het leven.
Het is geen succesnummer, maar ook geen deprimerend schouwspel. Het is geen tentoonspreiding van jeugdige vitaliteit, maar ook geen enkel spoor van wanhoop.
Die man opent de deur van hun hart: ’t Is daar zo donker binnenin, wil hij zeggen. Je bent verkeerd bezig. Breek met mekaar het brood en dan zullen je ogen opengaan, dan zal het licht worden. Dan zul je beseffen dat Jezus aanwezig is, levensnabij en dat dit het kerngebeuren van je leven is.
Kom, ga terug de weg naar Jeruzalem, naar het kerkgebeuren, hoe onvolmaakt ook, want zij hebben u nodig om te kunnen geloven. We hebben elkaar nodig om te kunnen geloven in het leven.