3e zondag in de paastijd A (2002)

A-cyclus · Paastijd · 3e zondag van Pasen · wit

Iemand is pas dood als hij of zij wordt vergeten. En iemand die niemand heeft die aan hem denkt, die om hem geeft, is eigenlijk al dood ook al leeft zijn lichaam nog en klopt zijn hart nog. Iemand die in een gemeenschap wordt doodgezwegen, leeft ook niet langer in die gemeenschap, maar iemand over wie men praten blijft, blijft zo ook in leven ook al is zijn lichaam gestorven. Door over iemand te praten, houdt je hem in leven maar nog veel meer gebeurt dat door het doen van de dingen die voor die ander heilig waren, waarvoor hij leefde.
Dit is in wezen ons Paasgeloof: Jezus is wel gestorven maar hij is pas echt dood als hij wordt vergeten. Daarom vertellen we telkens weer over zijn persoon, zijn daden, zijn idealen, zijn boodschap, niet alleen om het praten zelf, maar ook om hem na te volgen, om hem levend te houden in onze manier van leven.
Maar er is nog een tweede reden dat we telkens weer over Jezus praten: niet alleen om Hem in ons midden te laten voortleven maar minstens evenzeer om onszelf: dat wij levend blijven, tot leven komen. Als een dierbare sterft, sterf je zelf een beetje mee, wordt er altijd gezegd. Dat zie je inderdaad vaak gebeuren bij mensen die treuren om het verlies van een dierbare. Ze kunnen niet vooruit, ze zijn ook een beetje meegestorven. De zin van hun bestaan is weggevallen. Maar je ziet ook heel vaak hoe ze al pratend over hun dierbare dode, vertellend over het verleden, weer een beetje tot leven komen, omdat ze beseffen: het is niet allemaal voorbij: ik moet verder, en ik moet zijn gedachten, zijn idealen blijven uitdragen. Zo komt de dode weer een beetje tot leven, komen ze zelf tot leven.
Je ziet het vaak gebeuren als een gestorvene een bepaalde ideaal had waar hij zich helemaal voor ingezet heeft. Dan zie je na zijn dood dat zijn vrouw of zijn kinderen zijn werk doorzetten, in zijn geest verder gaan. Zo blijft hij in leven, zo blijven ze zelf in leven.
Die twee leerlingen van Jezus liepen moedeloos langs de weg. Ze wisten het niet meer, ze zagen het niet meer zitten. Ze hadden op hem hun hoop gesteld, maar hij was dood en begraven. Het was allemaal voorbij. Eigenlijk waren ze zelf dood, ze leefden niet echt meer, de fut was er uit, helemaal.
Maar dan komt er een vreemdeling met hen meelopen. Die liet hen vertellen over wat er gebeurd was, het werd een heel gesprek waarin teksten uit de bijbel gingen meeklinken. Daardoor werd het gebeurde in een wijder perspectief geplaatst. Blijkbaar begrepen ze het allemaal wel niet precies maar toch begon er toch iets van licht te dagen. Ze kwamen ondanks alle vragen en twijfels weer een beetje tot leven.
Ze willen die vreemdeling niet laten gaan: blijf bij ons, het is al avond. Ze voelden aan dat hij hun weer wat leefruimte kon geven, perspectief naar de toekomst toe. Toen werd er gastvrijheid beleefd, het brood samen gedeeld, en opeens werden ze wakker, opeens kwamen ze weer tot leven. Ze zagen het weer zitten. Want ze gingen beseffen dat hun Jezus niet dood was, maar dat hij in leven bleef waar mensen in zijn geest open staan voor elkaar, waar ze het brood, het leven, samen delen.
Heel moedeloos hadden ze Jeruzalem verlaten, maar vol levensmoed gingen ze terug. De anderen moesten ook deelgenoot gemaakt worden van hun geloof in de levende Jezus en nog meer: hoe ze zelf weer tot leven gekomen waren, hoe ze weer toekomst zagen.
Met Pasen praten we altijd over Jezus die weer tot leven kwam. Maar het gaat minstens evenzeer om onszelf dat wij weer tot leven komen, telkens weer, dat wij de dingen doen die hem heilig waren, dan alleen leeft hij verder in ons en door ons, dan alleen is en blijft het Pasen, het feest van het leven.

Zoeken in Preken Online