3e zondag in de paastijd (A)

A-cyclus · Paastijd · 3e zondag van Pasen · wit

Als mensen die je lief zijn, sterven; als mensen waarmee je je nauw verbonden voelde, worden weggenomen en weggedragen naar het kerkhof dan gaat er ook een stukje van jezelf mee het graf in. En dan beginnen de bittere vragen te woelen in ons hart. In ons hoofd brandt de vraag: Waarom laat God zoiets toe, hoe moet ik nou nog in Hem geloven? Heb ik me niet iets laten wijsmaken?

Met zulke gevoelens en gedachten waren ook die twee leerlin­gen op weg van Jeruzalem naar Emmaüs. Ze zijn nog helemaal vol van wat ze hebben meegemaakt. Ze kunnen nog aan niets anders denken en over niets anders praten. Ze worden bijna kwaad als die vreemdeling die zich bij hen aansluit, vraagt waarover ze het hebben. ‘Ben je dan helemaal vreemd in Jeru­zalem dat je niet weet wat daar dezer dagen is gebeurd? Dat met Jezus van Nazaret, een profeet, machtig in woord en daad, bemind door het gewone volk, maar verraden en veroordeeld door de gezagsdragers van de tempel. En wij maar hopen’, zeg­gen ze treurig, ‘dat Hij Israël zou bevrijden’. Maar intussen is Hij al drie dagen dood en begraven. Als er een God is die Hij zelfs zijn Vader durfde noemen, waarom laat die dit dan alle­maal zo gebeuren?

En daarom gaan ze nu terug, van Jeruzalem naar Emmaüs, ‘terug naar af met pijn en verdriet gaan ze ontgoocheld en uitgedoofd naar huis.

Dat gevoel kennen we terug denk ik. Teleurgesteld zijn in God die het allemaal toelaat, kwaad zijn op die zogenaamde Lieve Heer. Je in de steek gelaten voelen omdat het leven heel anders liep dan je hoopte en heel anders dan dat je verdiende.

Als het ons overkomt is het heel waardevol als je - net als die twee van toen - je verdriet met elkaar kunt delen; als je er met anderen over praten kunt. En het is van levensbelang als er iemand is die net als die vreemdeling van toen eerst echt naar je luistert en dan een nieuw licht laat vallen op wat je is over­komen. Heerlijk is het als er mensen zijn die in het donker licht weten te brengen, die je over een dood punt heen kunnen tillen en je de moed geven met al je verdriet toch door te gaan. Zulke mensen halen je uit een put van tranen, uit je graf van verdriet en ze blazen, zo uitgedoofd als je leek, het vuur weer aan.

Dat deed in ieder geval hij die met de twee Emmaüsgangers optrok: hij legde hun aan de hand van de Schrift uit dat de dood van Jezus niet het einde was, maar een nieuw begin. Hij vertelde hun wellicht hoe God al in den beginne het donker deed verdwijnen en het licht schiep. En misschien heeft hij ver­teld hoe het joodse volk geboren werd uit Sara, oud en on­vruchtbaar, maar toch moeder geworden, leven uit een dode schoot. Of over Jozef die door zijn broers in de put werd ge­gooid, afgeschreven en doodgewaand in Egypte nieuw leven vond. En toen het volk daar levend begraven was, haalde die­zelfde God hen uit de dood vandaan en gaf hun in nieuw land nieuw leven!

En zo, legde hij aan de hand van de Schrift uit, is het ook met jullie vriend gegaan want dat is de aard van God: de dood doen keren in leven. En het geloof wat in hen was uitgedoofd, blaast Hij weer aan. En kijkend met de ogen van het geloof gaan ze zien dat Hij leeft en met hen meetrekt. Terug in Jeruzalem ho­ren ze dat ook daar dit geloof groeiende is.

Moge dat geloof in Jezus de levende ook in ons groeien door gelovig gesprek met elkaar en luisterend naar de Schrift…

Zoeken in Preken Online